Klassieke vertaling
De Eeuwige God nam de mens en plaatste hem in Gan Eedèn, om te bewerken en te bewaken.
Hertaling
JHWH Elohiem nam de mens en leidde hem in Gan Eedèn, om te bewerken en om te bewaken
De mens wordt geleid
JHWH Elohiem neemt de mens mee. De mens volgt, zonder te weten wat komen gaat. Hij kent geen zorgen over morgen en draagt geen verleden met zich mee. Wat gebeurt, gebeurt. Hij leeft in het moment, zonder voortdurend stil te staan bij wat is geweest of wat nog zal komen.
De mens is gevormd en kan handelen, denken en zeggen wat in hem opkomt. Zijn bestaan wordt nog niet beheerst door vragen, zorgen of verwachtingen. Hij overziet zijn toekomst niet en zoekt nog niet zelfstandig naar de weg die hij moet gaan. Hij laat zich leiden en beweegt mee met wat zich aan hem voordoet.
Een nieuwe omgeving
Zo komt hij in het beschermde gebied van Eedèn. Een omgeving die voor hem geheel nieuw is, maar waarin alles al is voorbereid. Water stroomt, groen ontspruit en leven ontvouwt zich. De omgeving wacht op zijn komst. Wat tot nu toe zonder zijn aanwezigheid tot ontwikkeling is gekomen, krijgt er een nieuwe deelnemer bij.
JHWH Elohiem zet de mens niet eenvoudig ergens neer. Hij neemt hem mee en leidt hem de levende omgeving in. De mens ondergaat dat niet als een willoos wezen. Hij volgt, beweegt en wordt opgenomen in een werkelijkheid waarvan hij de betekenis nog niet kan overzien.
Bewerken en bewaken
Maar hij komt niet als toeschouwer. Te midden van alles wat groeit en leeft, wacht hem een opdracht: bewerken en bewaken. Hij mag deelnemen aan wat zich daar ontwikkelt en krijgt tegelijk de verantwoordelijkheid om te bewaren wat aan zijn zorg wordt toevertrouwd.
Daarmee verandert zijn plaats binnen de schepping. De mens is niet langer alleen een wezen dat uit de vruchtbare aarde is gevormd. Hij krijgt een actieve rol in het leven dat hem omringt. Bewerken en bewaken horen vanaf het begin bij zijn aanwezigheid in Gan Eedèn.
Zo wordt de mens niet buiten de schepping geplaatst, maar er middenin opgenomen.
Grammaticale en tekstuele analyse
Wa’jikach JHWH Èlohiem èt-ha’adam (ויקח יהוה אלהים את-האדם)
‘JHWH Èlohiem nam de mens’
Het werkwoord wa’jikach is afgeleid van de stam laqach (lamed-qof-chet) en betekent ‘nemen’, ‘meenemen’ of ‘tot zich nemen’.
De vorm wa’jikach staat in de verhalende werkwoordsvorm die in de Hebreeuwse tekst veelvuldig wordt gebruikt om gebeurtenissen opeenvolgend te beschrijven. De handeling sluit daardoor direct aan op wat voorafgaat.
Er staat eenvoudig: ‘JHWH Elohiem nam’. De tekst beschrijft de handeling zelf, zonder nader toe te lichten op welke wijze dit gebeurt.
wa’janiechee’hoe beGan-Eedèn (וינחהו בגן-עדן) ‘en leidde hem in Gan Eedèn’
Het werkwoord wa’janiechei’hoe staat in de hif’il-vorm, die doorgaans een causatieve betekenis heeft. Het achtervoegsel –hoe verwijst naar de mens: ‘hem’. De verhalende werkwoordsvorm geeft aan dat deze handeling volgt op het nemen van de mens door JHWH Elohiem.
Bij de verklaring van dit werkwoord verdienen twee Hebreeuwse stammen aandacht.
Nachah (נחה), noen–chet–hee, betekent ‘leiden’, ‘voeren’ of ‘geleiden’. Het werkwoord wordt gebruikt wanneer iemand de weg wordt gewezen of naar een bepaalde bestemming wordt geleid. Ook in de hif’il komt deze betekenis voor, onder meer in Exodus/Sjemot 13:21.
Daarnaast bestaat noeach (נוח), noen–waw–chet, met de grondbetekenis ‘rusten’ of ‘zich neerzetten’. In de hif’il kan deze stam een causatieve betekenis krijgen: ‘doen rusten’, ‘doen neerzetten’ of ‘een plaats geven’. De gebruikelijke grammaticale analyse brengt de werkwoordsvorm in Genesis 2:15 onder bij deze stam.
Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de grondbetekenis ‘rusten’ en de betekenis van de causatieve vorm. De vertaling ‘plaatsen’ is een gangbare en grammaticaal verdedigbare weergave, maar is niet zonder meer gelijk aan de grondbetekenis van noeach.
De beide stammen mogen daarom niet uitsluitend op grond van hun betekenis als gelijkwaardige grammaticale afleidingen worden beschouwd. De gebruikelijke afleiding uit noeach heeft de sterkste lexicale onderbouwing. Tegelijkertijd verdient de mogelijkheid van een leidende of begeleidende handeling aandacht vanuit de samenhang van het verhaal.
Het verschil met Genesis 2:8
In Genesis 2:8 staat wa’jasem (וישם), afgeleid van siem (שים), ‘plaatsen’ of ‘neerzetten’. Daar wordt beschreven dat JHWH Elohiem de mens in Gan Eedèn plaatst.
In Genesis 2:15 staat echter wa’janiechei’hoe. Het gebruik van een ander werkwoord is grammaticaal aantoonbaar. Het betekent niet noodzakelijk dat de handelingen verschillend zijn, maar het biedt wel aanleiding om te onderzoeken of de tekst een nuanceverschil laat zien.
Veel klassieke vertalingen gebruiken in beide verzen ‘plaatsen’. Daardoor wordt het onderscheid tussen de Hebreeuwse werkwoorden in de vertaling niet zichtbaar.
In 2:15 gaat aan wa’janiechei’hoe bovendien wa’jikach vooraf: ‘JHWH Elohiem nam de mens’. Beide handelingen vormen samen een opeenvolging. De mens wordt genomen en vervolgens in Gan Eedèn gebracht, waar hij een opdracht ontvangt.
Deze samenhang laat ruimte om de tweede handeling niet uitsluitend als het neerzetten op een bepaalde plaats te begrijpen, maar ook als het begeleiden of binnenleiden van de mens.
De oudere Joodse uitlegtraditie
Ook in de oudere Joodse uitlegtraditie wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de mens naar Gan Eedèn wordt gebracht.
Rasji verklaart bij Genesis 2:15 het nemen van de mens als een handeling waarbij JHWH Elohiem hem met aangename woorden ertoe beweegt de tuin binnen te gaan. Het gaat daarbij niet om een letterlijke beschrijving van lichamelijk optillen en ergens neerzetten, maar om een vorm van overreding en begeleiding.
Ook de Aramese vertaling van Onkelos gebruikt bij het nemen van de mens een werkwoord dat een beweging van meenemen of voeren kan uitdrukken. Voor de daaropvolgende handeling kiest Onkelos echter een werkwoord dat het vestigen of onderbrengen van de mens aanduidt.
Deze uitleggingen bewijzen niet dat wa’janiechei’hoe grammaticaal van nachah moet worden afgeleid. Wel laten zij zien dat het gebeuren in 2:15 van oudsher ook wordt begrepen als een handeling waarbij de mens naar zijn bestemming wordt gebracht, en niet uitsluitend als het neerzetten op een plaats.
De keuze voor ‘leidde hem’
Bij de hertaling wegen verschillende gegevens mee: de betekenis van de Hebreeuwse werkwoordsvorm, het verschil met wa’jasem in 2:8, de opeenvolging van het nemen en binnenbrengen van de mens, de opdracht die daarop volgt en de oudere Joodse uitlegtraditie.
De gebruikelijke grammaticale afleiding uit noeach blijft daarbij het uitgangspunt. Maar de context biedt ruimte om de beschreven handeling ruimer te verstaan dan het eenvoudig neerzetten van de mens.
Daarom is in de hertaling gekozen voor ‘en leidde hem in Gan Eedèn’. Deze weergave benadrukt de beweging waarbij JHWH Elohiem de mens meeneemt en hem binnenbrengt in de omgeving waarin hij zijn taak zal vervullen.
Het is daarmee een bewuste, contextuele hertaling. Zij probeert een aspect van de handeling zichtbaar te maken dat in de gangbare vertaling ‘plaatste hem’ minder nadruk krijgt.
le’avdah oe’lesjamrah (לעבדה ולשמרה )
‘om (hem/haar) te bewerken en om (hem/haar) te bewaken’
Het werkwoord le’avdah is een infinitiefconstructie met een vrouwelijk voornaamwoordelijk achtervoegsel, afgeleid van de stam avad – עבד (ajin-bet-dalet). De basisbetekenis omvat onder meer: werken, dienen, arbeid verrichten en bewerken. In deze context is gekozen voor de vertaling: ‘om te bewerken’.
Het werkwoord oe’lesjamrah is eveneens een infinitiefconstructie met een vrouwelijk voornaamwoordelijk achtervoegsel, afgeleid van de stam sjamar – שמר (sjien-mem-resj). De basisbetekenis omvat onder meer: bewaken, bewaren, behoeden en beschermen. In deze context is gekozen voor de vertaling: ‘en om te bewaken’.
Opvallend zijn de vrouwelijke voornaamwoordelijke achtervoegsels –ah aan beide werkwoordsvormen. Letterlijk ontstaat daardoor: ‘om haar te bewerken en om haar te bewaken’.
Dit roept een grammaticale vraag op, omdat gan (‘beschermd gebied’) doorgaans mannelijk is. Een mogelijke verklaring is dat de achtervoegsels verwijzen naar adamah, de vruchtbare grond, een vrouwelijk zelfstandig naamwoord dat eerder in het verhaal voorkomt.
Een andere mogelijkheid is dat de achtervoegsels betrekking hebben op Gan Eedèn als geheel, waarbij de omschreven ruimte als vrouwelijk wordt opgevat. Deze verklaring is minder rechtstreeks grammaticaal te onderbouwen.
Omdat de verwijzing niet met zekerheid kan worden vastgesteld, is ervoor gekozen de vrouwelijke achtervoegsels niet afzonderlijk in de Nederlandse hertaling weer te geven.
Zie de andere delen van deze serie Hertaling van het Scheppingsverhaal in Bereshiet:
De Torah opent als een filmshot na de Oerknal Genesis / Bereshiet 1:1
Daar is water Genesis / Bereshiet 1:1-10
Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9
Jij bent niet buiten Elohiem Genesis / Bereshiet 1:2
Energie wacht om richting te krijgen Genesis / Bereshiet 1:3
Wanneer onderscheid orde schept Genesis / Bereshiet 1:4
Slotakkoord van jom één Genesis / Bereshiet 1:5
Elohiem richt de blik Genesis / Bereshiet 1:6
Er komt ruimte voor adem Genesis / Bereshiet 1:7
Het uitspansel dat we dampkring zijn gaan noemen Genesis / Bereshiet 1:8
Het water wijkt Genesis / Bereshiet 1:9
Het land verschijnt, het water verandert Genesis / Bereshiet 1:10
Uitnodiging aan de aarde zelf Genesis / Bereshiet 1:11
Zaad dat terugkeert naar de aarde Genesis / Bereshiet 1:12
(red.: 1:13 ontbreekt op verzoek auteur)
Letters ontbreken, inzicht ontstaat Genesis / Bereshiet 1:14
Waarneembaar licht dat de aarde bereikt Genesis / Bereshiet 1:15
De zon wordt actief Genesis / Bereshiet 1:16
Door de dampkring heen Genesis/ Bereshiet 1:17
Dag en nacht ons kompas Genesis/ Bereshiet 1:18
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:19 ontbreekt op verzoek auteur)
Vinnen worden vleugels Genesis/ Bereshiet 1:20
Soorten zeeën, soorten leven Genesis/ Bereshiet 1:21
Elohiem zegende hen: een stille, krachtige overdracht van energie en gevoel Genesis/ Bereshiet 1:22
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:23 ontbreekt op verzoek auteur)
Als silhouetten achter een sluier Genesis/ Bereshiet 1:24
Grond die leven draagt Genesis/ Bereshiet 1:25
Mens – een gedachte die richting krijgt Genesis/ Bereshiet 1:26
Van opdracht naar gestalte Genesis/ Bereshiet 1:27
Zegen gericht op groei, op ontplooiing Genesis/ Bereshiet 1:28
Vrucht draagt zaad en zaad draagt toekomst Genesis/ Bereshiet 1:29
Plantaardig voedsel voor al dat leeft Genesis/ Bereshiet 1:30
Scheppen en voltooien in één Genesis/ Bereshiet 1:31
Hemel en aarde zijn voltooid Genesis/ Bereshiet 2:1
Voltooiing en loslaten Genesis/ Bereshiet 2:2
Rust wordt een begin Genesis/ Bereshiet 2:3
De schepping ontwikkelt zich naar haar bestemming Genesis/ Bereshiet 2:4
Oorzaak en gevolg Genesis/ Bereshiet 2:5
Damp stijgt op, water in beweging Genesis/ Bereshiet 2:6
Van vruchtbare aarde tot schepsel Genesis/ Bereshiet 2:7
De verborgen ruimte van Gan Eedèn Genesis/ Bereshiet 2:8
(zie voor de hertaling van 2:9 Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9)
Water dat blijft stromen brengt leven waar het komt Genesis / Bereshiet 2:10
Pisjon verschijnt als een rivier door een streek van overvloed Genesis / Bereshiet 2:11
Waar water en rijkdom samenkomen Genesis / Bereshiet 2:12
Beweging en vertakking zetten zich voort Genesis / Bereshiet 2:13
Vier rivieren, één oorsprong Genesis / Bereshiet 2:14
cover: fragment schilderij met Torarol door Marc Chagall, foto Bloom
Geef als eerste een reactie