Over parnassiem die zich rechters waanden, een hardnekkige koopman en de grenzen van de macht in het Amsterdam van de zeventiende eeuw.
In het Amsterdam van de zeventiende eeuw had de Portugese gemeente haar zaken uitstekend georganiseerd.
Er waren rabbijnen, een armenkas, een begraafplaats en een bestuur dat zich met vrijwel alles bemoeide. Dat bestuur heette het Mahamad.
De bestuurders waren de parnassiem. Zij waakten over de religieuze voorschriften, het onderwijs, de liefdadigheid en de goede zeden. Wie zich misdroeg, riskeerde een boete, verlies van privileges of zelfs uitsluiting uit de gemeenschap.
Dat laatste was geen kleinigheid. In een wereld waarin familie, handel, huwelijk en religie nauw verweven waren, kon uitsluiting maatschappelijk en economisch verwoestend zijn.
De parnassiem hadden dus macht. Veel macht.
Maar waren zij ook rechters? En wat gebeurde er wanneer iemand besloot dat het oordeel van enkele heren rond een vergadertafel niet noodzakelijkerwijs het laatste woord hoefde te zijn?
Boze familieleden
Het begon met een erfenis. Zoals zoveel familieruzies waarbij de betrokkenen aanvankelijk volhouden dat het uitsluitend om principes gaat.
In 1641 overleed de rijke koopman Francisco Ramires Pina, ook bekend als Ishac Naar. Hij liet een jonge dochter achter, Rebecca, en een aanzienlijk vermogen. Haar voogden waren onder anderen Lopo Ramirez, binnen de gemeenschap bekend als David Curiel, en Matatia Aboab.
De erfenis werd het middelpunt van een langdurige strijd. De voogden betwistten later Rebecca’s erfrechten, waarbij zelfs de geldigheid van het huwelijk van haar ouders ter discussie kwam te staan.
Het Mahamad mengde zich in de kwestie. Alsof een familieruzie niet voldoende was, ontstond vervolgens een tweede conflict.
Lopo Ramirez wilde na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwen met de veel jongere Rachel Aboab. Maar Sara Curiel, een nicht van Lopo, beweerde dat hij eerder had beloofd met haar te trouwen en bovendien de vader was van haar zoon.
De parnassiem kozen de kant van Sara en verboden het voorgenomen huwelijk. Een nogal verstrekkende beslissing. Niet alleen over religieuze verplichtingen, maar ook over iemands persoonlijke leven.
Lopo dacht daar kennelijk anders over. Hij raadpleegde gezaghebbende rabbijnen in Italië, kreeg steun voor zijn huwelijk en trouwde in juni 1651 alsnog met Rachel.
De Amsterdamse bestuurders hadden gesproken. De bruidegom had besloten niet te luisteren.
Toen de stad zich ermee bemoeide
Het conflict maakte duidelijk dat de parnassiem niet in een juridisch vacuüm opereerden.
Amsterdam was geen theocratie. De Portugese gemeente beschikte over vergaande interne autonomie, maar bleef onderworpen aan de wereldlijke rechtsorde.
De Amsterdamse magistraten hadden bevoegdheden die het Mahamad niet bezat. Daarnaast bestond het Hof van Holland, dat in belangrijke civiele geschillen recht kon spreken.
Wie dacht dat een beslissing van het Mahamad automatisch het einde van een juridische kwestie betekende, kon dus voor verrassingen komen te staan.
In maart 1653 kreeg Lopo bij het Amsterdamse stadsbestuur een voor hem gunstige beslissing in zijn conflict met Sara Curiel.
Op 30 september 1656 volgde een uitspraak van het Hof van Holland in de erfeniskwestie rond Rebecca Naar.
Het Hof erkende de geldigheid van het huwelijk van haar ouders volgens het Joodse recht en bevestigde haar positie als wettige dochter en erfgename.
Dat was meer dan een familiekwestie. Hier sprak een wereldlijke rechter zich uit over een geschil waarin religieuze regels en gemeenschapsbestuur een centrale rol hadden gespeeld.
De Portugese gemeente mocht haar eigen zaken regelen. Maar niet zonder grenzen.
Zelfs de dood bracht geen rust
Lopo Ramirez vertrok uit Amsterdam en woonde achtereenvolgens onder meer in Antwerpen, Middelburg en Rotterdam.
In 1666 kwam het tot een toenadering met de Amsterdamse gemeente. Lopo bood duizend gulden aan voor de armenkas. Een bedrag waarmee zelfs de meest principiële bestuurder zich vermoedelijk iets verzoenlijker liet stemmen.
Hij overleed op 4 oktober 1666 in Rotterdam en werd begraven op Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel.
Men zou verwachten dat daarmee de zaak eindelijk was afgesloten. Maar bij de familie Curiel was zelfs overlijden kennelijk geen betrouwbare methode om een conflict te beëindigen.
In 1682 stonden Abraham Curiel en de parnassiem tegenover Rachel Aboab, Lopo’s weduwe, in een procedure voor het Hof van Holland.
Die rechtszaak staat geregistreerd in het archief van het Hof, onder inventarisnummer 819.
De precieze uitkomst van deze laatste procedure vraagt om bestudering van de oorspronkelijke uitspraak. Maar de registratie toont iets wezenlijks: zelfs tientallen jaren na het begin van het conflict konden de parnassiem als partij voor een wereldlijke rechter verschijnen.
Het Mahamad stond niet boven de rechterlijke macht.
Wie was nu eigenlijk de baas?
Het antwoord is minder eenvoudig dan een organogram.
De rabbijnen waren gezaghebbend op het gebied van de religieuze wet. De parnassiem bestuurden de gemeente, handhaafden haar reglementen en oefenden interne tucht uit.
De Amsterdamse magistraten bewaakten de stedelijke rechtsorde. Het Hof van Holland kon in civiele geschillen rechtspreken.
Die bevoegdheden overlapten soms. Juist daar ontstonden conflicten.
Het Mahamad kon iemand het gemeenschapsleven behoorlijk moeilijk maken. Maar het kon niet zomaar de plaats innemen van de stedelijke of provinciale rechter. De parnassiem waren bestuurders, geen onafhankelijke staatsrechters.
Dat onderscheid is belangrijk. Zeker wanneer we terugkijken op de geschiedenis van de Portugese gemeente waarvan de bestuurders tegelijkertijd de hoeders van een kwetsbare gemeenschap én leden van een machtige internationale koopmanselite waren.
Die combinatie functioneerde uitstekend zolang iedereen het met elkaar eens was. En zoals iedere familie weet, is dat doorgaans een tamelijk korte periode.
De les van drieënhalve eeuw geleden
Zonder de inzet, het geld en de organisatiekracht van generaties parnassiem zou de Portugese gemeente nooit zijn uitgegroeid tot het indrukwekkende instituut dat zij werd. Maar bewondering voor een instituut betekent niet dat zijn macht onbeperkt was.
De geschiedenis van Curiel laat zien dat ook binnen een hechte religieuze gemeenschap de vraag gesteld moest worden wie bevoegd was over wie te oordelen.
Het bijzondere aan Amsterdam was dat die vraag niet uitsluitend binnen de muren van de synagoge hoefde te worden beantwoord.
Er bestond ook nog een stadsbestuur. En daarboven een Hof.
De parnassiem mochten veel. Alleen niet alles.
En voor wie dat verschil niet begreep, was er altijd nog Den Haag.
Meer verhalen lezen? Volg mijn Facebookpagina voor meer verhalen over Joods Amsterdam, Sefardische families en vergeten geschiedenis. Daar vind je ook meer info over mijn boeken:
- Aan tafel bij de Casseres
- El Manco
- Sous l’Horloge de la Gare de Lyon
Geschiedenis is zelden zo keurig als zij achteraf wordt opgeschreven. Gelukkig maar.
cover: Historische Snoge bij kaarslicht, beeld Wagenhuis mbv AI
Geef als eerste een reactie