Een houten keet, Joodse miljoenen, mijn moeder en een negentienjarige modeontwerper.
Op een oude foto van het Damrak staat een gebouwtje dat je met de beste wil van de wereld geen winkelpaleis kunt noemen. Een houten keet, natte straatstenen, een heer met bolhoed en een jongetje. Boven de ramen staat: MAGAZIJN DE BIJENKORF.
Wie tegenwoordig De Bijenkorf op de Dam binnenloopt, met zijn parfums, designermerken en prijzen waarvoor je vroeger een aardig huisje kon kopen, zal nauwelijks geloven dat dit allemaal in zo’n houten noodwinkel begon.
Ik bleef bij die foto hangen. Niet alleen vanwege mijn belangstelling voor Joods ondernemerschap, maar omdat De Bijenkorf op merkwaardige wijze door mijn eigen familiegeschiedenis loopt. Meer daarover straks.
Eerst een vraag die mij als ondernemer interesseerde: Wie betaalde eigenlijk dat enorme gebouw op de Dam?
Stoffenwinkel op de Nieuwendijk
Het begon in 1870, toen Simon Philip Goudsmit en Abraham Salomon Polak aan de Nieuwendijk een winkel in garen, stoffen en fournituren openden. Twee Joodse ondernemers met ambitie én geld. Samen brachten ze 50.000 gulden in. Een fortuin in die tijd.
Polak vertrok later. Goudsmit overleed in 1889, slechts 44 jaar oud. Zijn zoon Alfred was nog jong en Arthur Isaac kwam namens de familie in de onderneming.
In 1909 deed zich een buitenkans voor. Op het terrein van de afgebroken Beurs van Zocher mocht De Bijenkorf tijdelijk een houten winkel neerzetten.
Architectonisch een uit de hand gelopen tuinhuis. Commercieel een goudmijn.
De klanten stroomden toe. De omzet schoot omhoog. Tegenwoordig zou men hiervoor McKinsey inhuren, drie marktonderzoeken laten uitvoeren en een PowerPointpresentatie van 180 dia’s bestellen. Isaac en Goudsmit deden iets eenvoudigers. Ze keken naar de kassa.
Hier moesten ze blijven!
Alleen was er één probleempje. Het terrein kostte 825.000 gulden. En dan had je nog geen warenhuis, geen fundering en zelfs geen zakdoek om je tranen over de bouwkosten mee af te drogen.
Nederlandse financiers zagen het niet onmiddellijk zitten. Een gigantisch gebouw neerzetten om nóg meer garen en stoffen te verkopen?
Gelukkig bestond er toen al een internationaal Joods zakennetwerk. Via Frits Hochheimer kwamen de ondernemers terecht bij Leonhard Tietz, het grote Duits-Joodse warenhuisconcern.
Daar begrepen ze iets wat Nederlandse bankiers nog niet doorhadden: een modern warenhuis verkocht niet alleen goederen. Het verkocht dromen.
Een vrouw kwam voor katoen en vertrok met een hoed, parfum, handschoenen en het vaste voornemen haar echtgenoot voorlopig niets over de rekening te vertellen.
Joods ondernemerschap
In 1911 werd in Antwerpen een vennootschap opgericht. Ongeveer twee miljoen gulden werd aanvankelijk bijeengebracht. Een miljoen kwam van Tietz, een half miljoen van De Bijenkorf en de rest van andere investeerders.
Driekwart van het kapitaal kwam van buiten de Bijenkorf.
Het Amsterdamse winkelpaleis werd voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door internationaal, grotendeels Joods ondernemerschap. Europese samenwerking, lang voordat Brussel daar een voltijds beroep van maakte.
In 1912 begon de bouw. In 1914 opende het monumentale warenhuis van architect J.A. van Straaten. De houten keet had haar werk gedaan.
Na de Eerste Wereldoorlog werd De Bijenkorf een Nederlandse NV. Vanaf 1920 werden aandelen aan de Amsterdamse beurs verhandeld.
Maar toen kwam de geschiedenis met haar zwaarste rekening.
Goudsmit vluchtte naar Amerika
In 1939 vertrokken Duits-Joodse bestuurders naar het buitenland. Alfred Goudsmit vluchtte in mei 1940 via Engeland naar Amerika. Daar begon hij opnieuw, terwijl hij vanuit ballingschap probeerde zijn onderneming uit Duitse handen te houden.
Het mocht niet baten.
De nazi’s verwijderden de Joodse leiding, roofden aandelen en zeggenschap en namen de controle over.
Honderden Joodse medewerkers werden ontslagen. Velen werden gedeporteerd en vermoord.
Het gebouw bleef staan. De etalages bleven bestaan. Maar talloze mensen die De Bijenkorf groot hadden gemaakt, kwamen nooit terug.
Geld en eigendom konden na de oorlog onderwerp worden van rechtsherstel. Mensenlevens niet.
Amerikaanse ideeën
Na de bevrijding keerde de overlevende leiding terug en begon De Bijenkorf opnieuw, met Amerikaanse ideeën over klantenservice en verkooptechnieken.
Vanaf 1949 werden bezoekers automatisch geteld. Men onderzocht wachttijden, looproutes en koopgedrag. De klant werd wetenschappelijk bestudeerd.
Ik vermoed dat sommige echtgenoten dat al jaren deden, vooral wanneer hun vrouw zei: ‘Ik ga alleen even kijken.’
In 1950 verscheen ter gelegenheid van het tachtigjarig bestaan het personeelsboekje Tachtig jaar jong.
Daarin stond een prachtig voorbeeld over de stoffenafdeling.
Een dame kwam stof kopen voor een jurk. Vroeger vroeg de verkoopster hoeveel meter ze wilde, knipte de stof af en rekende af.
Maar de moderne verkoopster moest verder denken. Waarvoor was de jurk? Welk model? Welk budget? Had mevrouw al een patroon? Misschien kon uit een voordelige coupon ook nog een blouse worden gemaakt!
Kortom: verkoop niet uitsluitend wat iemand vraagt, maar ontdek wat zij werkelijk nodig heeft.
Een principe dat ik later zelf vaak toepaste. Al moet je oppassen. Wie te enthousiast meedenkt, verkoopt iemand die om een knoopje vraagt uiteindelijk een complete wintergarderobe.
En precies in dat jaar 1950 kwam een jonge Amsterdamse vrouw bij De Bijenkorf werken.
Op de eerste verdieping, in de grote stoffenhal.
Tien jaar lang stond zij tussen rollen wol, katoen, zijde en kunstzijde. Ze mat meters af en hielp Amsterdamse vrouwen hun eigen kleding te maken.
Die verkoopster was mijn moeder.
Twintig jaar later, omstreeks 1970, liep haar zoon door dezelfde deuren naar binnen.
Negentien jaar oud. Beginnend confectionair en modeontwerper. Met een eigen collectie onder de arm en vermoedelijk aanzienlijk meer zelfvertrouwen dan zijn bankrekening rechtvaardigde.
Ik kwam niet om stof te kopen. Ik kwam mijn eigen mode verkopen.
En jawel, de jonge mannenboetiek Number One van De Bijenkorf kocht mijn collectie.
Mijn moeder had er jarenlang de stoffen verkocht waaruit Amsterdamse vrouwen hun kleding maakten.
Haar zoon kwam terug met de kleding zelf.
Wie betaalde De Bijenkorf?
Voor een belangrijk deel Joodse ondernemers met internationale durf, visie en kapitaal.
Maar wie gaf het warenhuis zijn ziel? De duizenden medewerkers, onder wie mijn moeder, die dagelijks achter de toonbanken stonden. En ik?
Ik heb er uiteindelijk ook nog iets aan verdiend.
Volg mijn dagelijkse verhalen op Facebook over Joodse geschiedenis, Amsterdam, bijzondere families en mijn eigen omzwervingen. Daar vindt u ook bestelinformatie over mijn boeken, waaronder de trilogie Aan tafel bij de Casseres, El Manco en Sous l’Horloge de la Gare de Lyon. Want achter iedere familie, straat en toonbank schuilt een verhaal.
cover: De Bijenkorf, Amsterdam, beeld: retail-news.de
Geef als eerste een reactie