Genesis/ Bereshiet 1:14
Klassieke vertaling: God zei: ‘laat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel om een scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en zij zullen tot tekens zijn en voor feesten, en voor dagen en jaren’:
Hertaling
Elohiem zei: ‘laat stralingsdragers in uitspansel ‘het heelal’ zijn om onderscheid te maken tussen zowel de dag als de nacht’ – en ze waren tot tekens: én voor vaste tijdstippen, én voor jamiem en sjaniem:
Wanneer het licht wordt voorbereid
Tot nu toe was het heelal gevuld met warmte-energie,
onzichtbaar en nog zonder richting.
Alles is aanwezig, maar niets werkt nog samen.
Dan komt een nieuwe beweging:
‘Laat bestaande stralingsdragers actief zijn.’
Dit is geen scheppen uit het niets,
maar een oproep tot wakker worden:
de plekken in het heelal waar straling al aanwezig is,
worden in beweging gezet
om zich te richten,
om te gaan werken met warmte-energie.
Wat wij later ‘de zon’ zullen noemen,
wordt hier voorbereid op haar functie.
Niet als brandende vuurbal –
want dat is zij in werkelijkheid niet –
maar als een hemellichaam dat straling
uit zichzelf vrijmaakt,
als resultaat van de processen in haar binnenste.
En dan gebeurt iets dat alleen in de Hebreeuwse tekst te zien is:
twee letters ontbreken in het woord voor stralingsdragers.
De uitspraak blijft hetzelfde, maar de vorm verandert.
En in die spelling ligt een betekenislaag verborgen.
De stamletters verwijzen naar plukken en inzamelen.
Alsof het woord zelf wil zeggen:
Hier, op deze plekken in het uitspansel,
wordt niet alleen straling uitgezonden,
maar ook verzameld,
opgevangen,
samengebracht.
Hemellichamen
als opvangers van energie,
als verzamelplaatsen van licht.
Elohiem bereidt dat alles voor.
Er ontstaat nog geen licht dat zichtbaar wordt–
dit is het moment vóór het moment,
de adem in de longen van de schepping
vlak voordat de eerste straling wordt uitgeademd.
Twee uitspansels, twee sferen
Wanneer Elohiem zegt: uitspansel ‘het heelal’,
wordt duidelijk dat er intussen twee lagen bestaan.
De grote ruimte – het heelal,
en de sfeer die een naam kreeg: dampkring,
als een zelfstandige laag binnen het geheel.
De stralingsdragers bevinden zich in het hogere uitspansel,
en worden voorbereid om een taak te vervullen
die de schepping verder zal ordenen:
Het onderscheiden van de dag en de nacht.
Jom en laila worden onderscheiden
Tot nu toe waren jom en laila begrippen –
benoemd maar nog ongescheiden.
Nu wordt de onderscheiding voorbereid:
Dag en nacht zullen afzonderlijk zichtbaar worden,
los van elkaar, binnen de structuur van de aarde.
Het proces komt in beweging, maar is nog niet voltooid.
Dit is de eerste stap, de aanzet tot het ontstaan van zonlicht,
zoals Elohiem het heeft bedoeld.
Betekenis en context
Een onderscheid als teken voor de mens
Gaat het hier om scheiden of om onderscheiden? Het doel van de activering wordt expliciet genoemd: het maken van onderscheid tussen dag en nacht. Dit kan gelezen worden als een daad van Elohiem, maar ook als een onderscheid dat voor de mens waarneembaar wordt. In beide gevallen blijft het doel gelijk: dag en nacht krijgen betekenis in relatie tot elkaar.
De mens kan dag en nacht niet scheiden, maar wel onderscheiden. Dat maakt duidelijk dat deze werking op de mens is gericht.
Grammaticale en tekstuele analyse
jehie me’orot (יהי מארת) ‘laat stralingsdragers zijn’
Het werkwoord jehie is een onregelmatige vorm in de veroorzakende hif‘il-vorm, derde persoon enkelvoud. Het betreft een verkorte toekomende vorm (jussivus) die een wens of gericht voornemen uitdrukt. De betekenis is niet ‘laat er ontstaan’, maar ‘laat het zijn’ – in deze context: laat het actief zijn.
Het zelfstandig naamwoord me’orot is het meervoud van me’or. De beginletter meem kan in het Hebreeuws een plaats of drager van een handeling aanduiden. Een bekend voorbeeld is loen (לון), ‘overnachten’; met een meem ervoor ontstaat malon (מלון), een plaats om te overnachten: een hotel.
Op vergelijkbare wijze hangt me’or samen met het werkwoord or (אור), ‘lichten’ of ‘verlicht zijn’: iets dat licht draagt of voortbrengt.
Opvallend is hier de spelling. Het woord verschijnt als מארת, zonder de twee waw’s die men in de gebruikelijke spelling van me’orot (מאורות) zou verwachten. In de traditionele lezing wordt het woord wel als me’orot uitgesproken, maar de geschreven vorm blijft compact.
Geleerden hebben erop gewezen dat hierdoor de letters alef–reesj duidelijk naar voren komen. Daardoor kan het woord niet alleen aan licht (or) doen denken, maar ook aan het idee van bijeenbrengen of bundelen. Met de meem aan het begin ontstaat dan de gedachte van een plaats of drager waarin dat gebeurt.
Zo kan me’orot worden verstaan als een gelaagde aanduiding: niet alleen bronnen van licht of straling, maar ook structuren waarin licht wordt gebundeld of verzameld.
birkie’a ha’sjamajiem (ברקיע השמים) ‘in uitspansel ‘’het heelal”’
Dit verschilt met la’rakie‘a sjamajiem in 1:8. Daar kreeg een deel van het uitspansel een nieuwe naam dat wij ‘dampkring’ zijn gaan noemen. Hier wordt ‘het heelal’ genoemd als onderscheiden sfeer, wat wijst op het bestaan van meer dan één uitspansel. Het uitspansel ha’sjamajiem is al aanwezig, zie 1:1.
le’havdiel (להבדיל) ‘om onderscheid te maken’
le’havdiel is de hif‘il-vorm van badal, ‘doen scheiden’ of ‘onderscheid maken’. De vorm laat ruimte voor twee lezingen: een daad van scheiding door Elohiem en een onderscheid dat voor de mens waarneembaar wordt.
bein hajom oebein ha’laila (בין היום ובין הלילה) ‘tussen zowel de dag als de nacht’
Bein … oe’bein drukt hier ’tussen zowel … als …’ uit. De dag en de nacht bestaan naast elkaar; geen van beide krijgt betekenis los van de ander, vergelijkbaar met 1:4.
we’hajoe le’otot (והיו לאתת) ‘en ze waren tot tekens’
Het woord we’hajoe is een vorm van het werkwoord hajah (‘zijn’). In het Hebreeuws staat het hier in een voltooide vorm. Letterlijk zou men daarom kunnen vertalen: ‘en zij zijn tot tekens geweest’, maar dat leest in het Nederlands zwaar.
In veel vertalingen wordt de beginletter waw opgevat als een zogenoemde ‘omkeer-waw’, waardoor de betekenis naar de toekomst verschuift: ‘zij zullen tot tekens zijn’. Daarmee wordt de werkwoordsvorm gelijkgetrokken met het begin van de zin, alsof de hele uitspraak rechtstreeks door Elohiem wordt uitgesproken.
De vorm we’hajoe kan ook worden gelezen als een constatering: niet als een nieuwe handeling, maar als een vaststelling van wat door het voorafgaande woord reeds het geval is. Daarom is hier gekozen voor:
‘En zij waren tot tekens’.
In deze lezing behoort dit deel van de zin niet tot wat Elohiem zegt, maar tot wat daarna wordt vastgesteld. Met we’hajoe wordt dan benoemd wat door de woorden van Elohiem reeds werkelijkheid is geworden.
oe’lemoadiem oe’lejamiem we’sjaniem (ולמועדים ולימים ושנים)
‘én voor vaste tijdstippen én voor jamiem én sjaniem’
Mo‘adiem betekent ‘vaste tijdstippen’ of ‘feestdagen’. Opvallend is dat deze als eerste worden genoemd. Een verklaring hiervoor is dat de feestdagen en de sjabbat de kern vormen; daarvoor zijn dag- en jaaraanduidingen noodzakelijk.
Bij sjaniem ontbreekt het voorzetsel ‘voor’. Dagen zijn te tellen aan de hand van de afwisseling tussen dag en nacht; jaren zijn daarvan afgeleid. Daarom worden jamiem en sjaniem als een samenhangend geheel genoemd.
Opmerkelijk is dat chodesjiem (maanden) niet in de opsomming voorkomen. Maanden worden niet onderscheiden door het tellen van dagen, maar door vernieuwing: chadasj betekent ‘nieuw’. De nieuwe maan markeert de volgende maand; daarom vallen maanden buiten deze opsomming en worden zij later beschreven.
Zie de andere delen van deze serie Hertaling van het eerste hoofdstuk van Bereshiet
De Torah opent als een filmshot na de Oerknal Genesis / Bereshiet 1:1
Daar is water Genesis / Bereshiet 1:1-10
Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9
Jij bent niet buiten Elohiem Genesis / Bereshiet 1:2
Energie wacht om richting te krijgen Genesis / Bereshiet 1:3
Wanneer onderscheid orde schept Genesis / Bereshiet 1:4
Slotakkoord van jom één Genesis / Bereshiet 1:5
Elohiem richt de blik Genesis / Bereshiet 1:6
Er komt ruimte voor adem Genesis / Bereshiet 1:7
Het uitspansel dat we dampkring zijn gaan noemen Genesis / Bereshiet 1:8
Het water wijkt Genesis / Bereshiet 1:9
Het land verschijnt, het water verandert Genesis / Bereshiet 1:10
Uitnodiging aan de aarde zelf Genesis / Bereshiet 1:11
Zaad dat terugkeert naar de aarde Genesis / Bereshiet 1:12
cover: fragment uit schilderij Marc Chagall, foto Bloom, 2024
Geef als eerste een reactie