Chagi, de Tsaddik. Jij hebt jouw leven gegeven

mijn eigen weg #36

Toli of Naftoli, jongeman met peijes en pet op tegen de achtergrond van Londen

12 maart 2014

Ga ik wel terug naar Jeroesjalajim? Blijf ik hier in Arad nog langer rondhangen? Zal ik op zoek gaan naar een andere jesjiewe?

Het is al meer dan twee weken geleden dat ik, nadat ik uit mijn Satmar-Jesjiewe ben gegooid, halsoverkop de bus naar Arad heb genomen om bij mimme Feigel even tot rust te kunnen komen.

Iedere avond neem ik me voor om de volgende ochtend afscheid te nemen om de draad weer op te maken toch in de Heilige Stad. Maar op de een of andere manier durf ik het toch niet goed aan. De scheldpartij en het gevecht dat daarop volgde door de jongens van Satmar, waarvan ik dacht dat het mijn vrienden waren, heeft me toch meer aangegrepen dan ik mezelf wil toegeven. 

We sluiten onze Gemores. Iedere ochtend na het dawwenen ontbijt ik samen met vetter Eli in sjoel. Daarna leren we tot een uur of elf. Op die manier besteed ik mijn tijd toch nog een beetje zinvol. Net als in de jesjiewe. Misschien nu maar eerst een ommetje maken. Er waait best een warme wind, deze komt vanuit de woestijn. 

Onderhand ben ik wel een paar keer naar Jeroesjalajim geweest, maar niet in de buurt van de jesjiewe. Daar blijf ik voorlopig weg. Twee keer ben ik bij Koosjer Kravi gaan trainen, om daarna te gaan werken in het ambulancestation. Laat in de avond nam ik dan de bus terug naar Arad. 

De deur van Berel’s huisje is op slot. De goede man is dus niet thuis. Ik zie hem ook niet in zijn tuintje aan het werk. Zonder verder na te denken, loop ik het pad op naar de begraafplaats.

Langs de heg staan een paar legerjeeps geparkeerd en tegenover de ingang een grote autobus, ook al in de kleur van het leger. Her en der staan andere auto’s langs het pad. De begraafplaats is vol met mensen, veel soldaten. Ik wurm mij door de massa een beetje naar voren. Door de luidspreker hoor ik de snikkende stem van een vrouw. Nu sta ik dicht in de buurt van een kist.

Deze is bedekt met de blauwwitte vlag. Boven op de vlag ligt een soldatenbaret. ‘Chagi jij had zoveel plannen. Deze zomer zouden we gaan trouwen.’De vrouw, eigenlijk nog een jong meisje, barst in tranen uit. Een vriendin legt een arm om haar schouder. ‘Chagi, jij zou mij nog uitleggen waarom wij altijd oorlog hebben. Nu is het te laat.’ Nog één keer probeert zij haar toespraakje voort te zetten. Met een diepe zucht klinkt het ‘Chagi, ik hou van jou. Voor altijd’. Zij geeft de microfoon over aan de rav die naast haar staat.

Deze spreekt nu over de moed van de gesneuvelde soldaat. Over hoe hij weigerde zich terug te trekken, omdat hij twee van zijn gewonde makkers niet wilde achterlaten. ‘Terwijl de twee gewonden door hulptroepen alsnog werden meegenomen, opende de vijand opnieuw het vuur. Chagi werd toen dodelijk getroffen. Chagi, de Tsaddik. Jij hebt jouw leven gegeven. Ter heiliging van G’ds naam.’ De rav kijkt nu naar het meisje dat zojuist heeft gesproken, de verloofde van de gesneuvelde soldaat. ‘Lieve Ora, jouw Chagi heeft het grootste offer gebracht wat een mens kan geven, het eigen leven ter wille van het leven van anderen. Maar jij Ora, hebt daar een even groot aandeel in. Met G’ds hulp geeft jou dat wat steun voor de toekomst.’

Vijf soldaten stappen naar voren. Het is te zien dat ook zij gehuild hebben. Eén heeft zijn hoofd in verband. De ander loopt met krukken. Deze neemt de baret van de kist. De anderen vouwen de vlag op. Zij salueren voor de kist en overhandigen Ora de vlag en baret in haar hand. Zachtjes drukt ze het hoofddeksel van haar verloofde tegen zich aan.

De kist wordt neergelaten in het graf. Behalve het doffe geluid van de brokken aarde die op het deksel van de kist ploffen, is het stil. Hier en daar klinkt een snik. En in de verte zingt een vogel.

Dan zie ik Berel staan. ‘Ja Toli, de volgende. Eergisteren is Chagi gesneuveld. Bij de grens met Libanon, 21 jaar oud.’ Berel slaakt een diepe zucht. Ja jongen, de volgende.’ Zwijgend lopen we samen het pad af. Bij zijn tuintje legt Berel zijn hand op mijn schouder. ‘Weet je nog wat je nooit zou mogen vergeten?’ Ik knik. ‘Ja, Berel, nooit vergeten dat jullie de offers brengen die wij niet kennen. Dit zal ik echt niet vergeten.’ 

‘Mimme, vanavond ga ik terug naar Jeroesjalajim.’ ’Vanavond? Kun je niet wachten tot morgenochtend?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Nee mimme, ik moet vanavond terug.’ ‘Maar heb je dan ergens een plek waar je kunt slapen? Kom je morgenavond dan weer terug?’ ‘Ja, ik heb een plek, bij een vriend’, jok ik. ’Ik weet nog niet wanneer ik terug kom.’

Naast de bushalte loop ik de portiek van een flatgebouw binnen. In een donker hoekje open ik mijn koffer en trek mijn kaftan uit. Mijn hoed leg ik op de grond, ik trap erop totdat deze helemaal plat is. Beiden prop ik in mijn koffer. Dit is het afscheid van waar ik vandaan kom. Ik wil alleen nog maar horen bij de wereld van Chagi, Ora en hun chaweirim. Met alleen mijn keppel op mijn hoofd, in mijn overhemd, zonder kaftan stap ik even later de bus in. Nu eerst maar bedenken waar ik in Jeroesjalajim naar toe ga.


Koosjer Kravi Pre-legertraining voor scholieren
Rav Rabbijn
Tsaddik Rechtvaardige

Over Lody van de Kamp 133 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*