Genesis / Bereshiet 2:14
Klassieke vertaling
De naam van de derde rivier is Chiedèkèl, de ene die stroomt ten oosten van Assyrië; en de vierde rivier, het is de Euphraat.
Hertaling
Naam van de derde rivier is Chiedèkèl; lopende ten oosten van Assyrië; en de vierde rivier – het is Eufraat:
De naamloze stroom
Vier rivieren zullen een naam krijgen. Maar de stroom waaruit zij voortkomen, blijft naamloos.
Het begon met water dat vanuit Eedèn het beschermde gebied doordrenkte. Daar verdeelde de stroom zich, en langzaam werden de afzonderlijke rivieren zichtbaar. Eerst Pisjon, daarna Giechon. Twee namen, verbonden met gebieden die ons al voor vragen stelden.
Nu verschijnen de laatste twee rivieren. En met hun komst lijkt de wereld waarin zij stromen steeds groter te worden.
Rivier in beweging
De derde rivier heet Chiedèkèl.
Ook zij is voortdurend in beweging. Het water trekt verder en laat het gebied van zijn oorsprong achter zich. De vierdeling krijgt steeds duidelijker vorm.
Maar bij Chiedèkèl verandert de beschrijving. Voor het eerst krijgen we niet alleen een rivier en een gebied, maar ook een aanwijzing waarmee we haar geografische ligging kunnen bepalen.
Ten oosten van Assyrië
Chiedèkèl loopt ten oosten van Assyrië.
Bij Pisjon en Giechon werden Chawiela en Cusj genoemd. Gebieden die door de rivieren zijn verbonden. Nu wordt geen gebied beschreven waar de rivier doorheen trekt, maar de ligging van de rivier ten opzichte van Assyrië.
Langzaam ontvouwt zich een groter landschap.
Want waar ligt Chawiela, het gebied dat eerder bij Pisjon werd genoemd? Onderzoekers hebben het gezocht in Noordoost-Afrika, maar ook op het Arabische schiereiland. Genesis zelf noemt Chawiela onder de nakomelingen van Cusj en Joktan.
In Genesis 25:18 verschijnt Chawiela bovendien in een beschrijving waarin ook Egypte en Assyrië worden genoemd.
En nu komt Assyrië in beeld.
De geografische aanwijzingen voeren ons mogelijk van Egypte en Noordoost-Afrika, via het Arabische schiereiland, naar Assyrië en Mesopotamië. Geen klein, eenvoudig af te bakenen gebied, maar een wereld van grote afstanden.
Zo wordt het voorstelbaar dat Gan Eedèn verbonden is met een veel groter geografisch geheel dan met één afzonderlijke landstreek.
Gan Eedèn in perspectief
De namen van de rivieren voeren ons steeds verder weg van hun oorsprong. Chawiela, Cusj en Assyrië verschijnen in de beschrijving, en langzaam tekent zich een gebied af dat zich mogelijk uitstrekt van Noordoost-Afrika tot Mesopotamië.
Maar waar ligt Gan Eedèn dan?
We zouden kunnen proberen die beschermde ruimte ergens binnen dat uitgestrekte landschap op een kaart aan te wijzen. Toch lijkt de beschrijving ons iets anders te vertellen.
Gan Eedèn verschijnt niet als een gewone geografische plaats met duidelijk herkenbare grenzen. Het is een beschermde bestaansruimte die werkelijk aanwezig is, maar zich niet volledig laat begrijpen vanuit onze driedimensionale werkelijkheid.
Daarin zijn water, aarde, beweging en leven geen afzonderlijke elementen. Zij vormen één samenhangend geheel, waarin de mens een verbondenheid ervaart die niet wordt bepaald door verleden en toekomst.
Vanuit die gedachte krijgt ook de oorspronkelijke waterstroom een andere betekenis. Zij verschijnt in Eedèn, doordrenkt het beschermde gebied en blijft zelf zonder riviernaam. Uit haar ontstaan vier rivieren die zich in de waarneembare wereld manifesteren.
De geografische aanwijzingen lijken ons naar verschillende gebieden te voeren, terwijl de oorsprong van de rivieren steeds dezelfde blijft. Zo ontstaat de mogelijkheid dat Gan Eedèn zich op verschillende plaatsen manifesteert en toch één samenhangende bestaansruimte vormt.
Misschien strekt die beschermde ruimte zich zelfs uit van de Nijl tot de Eufraat, tussen Egypte en Assyrië.
De rivieren voeren ons naar een herkenbare wereld. Maar de ruimte waaruit zij voortkomen, laat zich niet tot die wereld beperken.
De vierde rivier
Dan volgt de laatste rivier. Eufraat.
Na de eerdere beschrijvingen zouden we opnieuw een aanwijzing kunnen verwachten. Een gebied waar de rivier doorheen trekt, een richting waarin zij stroomt.
Maar de tekst zwijgt. Geen verdere aanduiding. Alleen de naam.
Met die ene naam is de reeks voltooid. Vier rivieren zijn genoemd, en hun geografische verwijzingen hebben ons ver buiten de oorspronkelijke beschrijving van het beschermde gebied gevoerd.
Toch blijft er iets merkwaardigs.
Vier rivieren voltooid
We kennen nu Pisjon, Giechon, Chiedèkèl en Eufraat. Vier afzonderlijke rivieren, ieder met een eigen naam en loop.
Maar waar is de waterstroom gebleven waaruit zij zijn ontstaan?
In Genesis 2:10 verscheen zij vanuit Eedèn, doordrenkte het beschermde gebied en verdeelde zich vervolgens. We onderzochten toen verschillende mogelijkheden om die verdeling te begrijpen.
Wanneer de oorspronkelijke stroom als zelfstandige rivier was blijven bestaan en daarnaast vier nieuwe rivieren had gevormd, zouden we nu vijf rivieren moeten aantreffen.
Vier met een naam. Eén zonder naam. Maar die vijfde rivier verschijnt nergens.
De beschrijving voert ons langs vier afzonderlijke rivieren. Geen ervan wordt aangeduid als een naamloze hoofdstroom die naast de andere blijft voortstromen.
En daarmee is de eerder beschreven mogelijkheid realistisch: de oorspronkelijke waterstroom vormt de gemeenschappelijke oorsprong waaruit vier afzonderlijke rivieren ontstaan, ieder met een eigen beginpunt en naam.
Eén oorsprong
Maar volgt onze blik de rivieren naar hun oorsprong terug, dan laat zich een diepere samenhang zien.
Terug naar het beschermde gebied. Terug naar het water dat daar verschijnt en de ruimte doordrenkt.
Daar ligt het begin van vier afzonderlijke rivierstromen. Het water blijft in hen aanwezig, ook wanneer zij ieder hun eigen weg vervolgen.
De rivieren worden zichtbaar.
Hun oorsprong blijft verborgen.
Grammaticale en tekstuele analyse
We’sjeem- ha’nahar ha’sjeliesjie Chiedèkèl (ושם-הנהר השלישי חדקל)
‘Naam van de derde rivier is Chiedèkèl’
Dezelfde grammaticale overwegingen die bij 2:13 zijn besproken, gelden ook hier.
We’sjeem bevat geen lidwoord. Het woord sjeem (‘naam’) staat in een naamwoordverbinding met ha’nahar (‘de rivier’). Daarom is gekozen voor de hertaling: ‘Naam van de derde rivier is Chiedèkèl’.
hoe ha’holeech (הוא ההלך) ‘hij is lopende’
Holeech is afgeleid van de stam halach (הלך), met de betekenis ‘gaan’, ‘lopen’ of ‘voortbewegen’.
De vorm holeech is een participium en beschrijft de handeling als gaande. Daarom is gekozen voor de vertaling ‘lopende’ in plaats van een afgeronde vorm zoals ‘liep’ of ‘stroomde’.
Het lidwoord ha– vóór holeech maakt de aanduiding specifiek: ‘de lopende’. Daarmee wordt Chiedèkèl aangeduid als de rivier die loopt. In de hertaling wordt deze betekenis weergegeven met ‘lopende ten oosten van Assyrië’, zonder het lidwoord afzonderlijk te vertalen.
Net als bij ha’soveev (‘cirkelend’) in 2:11 en 2:13 wordt de rivier beschreven vanuit haar beweging, zonder dat een eindpunt wordt genoemd.
kidmat Asjoer (קדמת אשור) ‘ten oosten van Assyrië’
Kidmat is een constructusvorm van kedem (קדמ) in verbinding met Asjoer (‘Assyrië’).
Kedem kan, zoals besproken in 2:8, verschillende betekenissen dragen, waaronder ‘oosten’, ‘voorkant’ en ‘ver verleden’. In deze constructie ligt de geografische betekenis het meest voor de hand, waardoor de gebruikelijke vertaling luidt:
‘ten oosten van Assyrië’.
we’hanahar ha’revie’ie hoe Perat (והנהר הרביעי הוא פרת)
‘en de vierde rivier – het is Eufraat’
Hoe (הוא) is een zelfstandig mannelijk voornaamwoord in het enkelvoud en verwijst naar ha’nahar, ‘de rivier’. In de hertaling wordt de identificerende functie weergegeven met ‘het is Eufraat’.
De ligging van Chawiela
De onzekerheid over de ligging van Chawiela blijkt ook uit verschillende onderzoeken. W.F. Albright bracht in The Location of the Garden of Eden (1922) Chawiela in verband met de Nubische woestijn in Noordoost-Afrika, mede vanwege de vermelding van goud en andere grondstoffen. W.W. Müller onderscheidde in The Anchor Bible Dictionary (1992) twee mogelijke gebieden op het Arabische schiereiland: een zuidelijk gebied bij Genesis 2 en een noordelijker gebied bij Genesis 25:18.
Ook de Bijbel zelf biedt verschillende aanknopingspunten. In Genesis 10:7 wordt Chawiela genoemd onder de nakomelingen van Cusj, terwijl Genesis 10:29 dezelfde naam vermeldt onder de nakomelingen van Joktan. Genesis 25:18 noemt Chawiela bovendien in een beschrijving waarin ook Egypte en Assyrië worden genoemd.
Zie de andere delen van deze serie Hertaling van het Scheppingsverhaal in Bereshiet:
De Torah opent als een filmshot na de Oerknal Genesis / Bereshiet 1:1
Daar is water Genesis / Bereshiet 1:1-10
Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9
Jij bent niet buiten Elohiem Genesis / Bereshiet 1:2
Energie wacht om richting te krijgen Genesis / Bereshiet 1:3
Wanneer onderscheid orde schept Genesis / Bereshiet 1:4
Slotakkoord van jom één Genesis / Bereshiet 1:5
Elohiem richt de blik Genesis / Bereshiet 1:6
Er komt ruimte voor adem Genesis / Bereshiet 1:7
Het uitspansel dat we dampkring zijn gaan noemen Genesis / Bereshiet 1:8
Het water wijkt Genesis / Bereshiet 1:9
Het land verschijnt, het water verandert Genesis / Bereshiet 1:10
Uitnodiging aan de aarde zelf Genesis / Bereshiet 1:11
Zaad dat terugkeert naar de aarde Genesis / Bereshiet 1:12
(red.: 1:13 ontbreekt op verzoek auteur)
Letters ontbreken, inzicht ontstaat Genesis / Bereshiet 1:14
Waarneembaar licht dat de aarde bereikt Genesis / Bereshiet 1:15
De zon wordt actief Genesis / Bereshiet 1:16
Door de dampkring heen Genesis/ Bereshiet 1:17
Dag en nacht ons kompas Genesis/ Bereshiet 1:18
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:19 ontbreekt op verzoek auteur)
Vinnen worden vleugels Genesis/ Bereshiet 1:20
Soorten zeeën, soorten leven Genesis/ Bereshiet 1:21
Elohiem zegende hen: een stille, krachtige overdracht van energie en gevoel Genesis/ Bereshiet 1:22
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:23 ontbreekt op verzoek auteur)
Als silhouetten achter een sluier Genesis/ Bereshiet 1:24
Grond die leven draagt Genesis/ Bereshiet 1:25
Mens – een gedachte die richting krijgt Genesis/ Bereshiet 1:26
Van opdracht naar gestalte Genesis/ Bereshiet 1:27
Zegen gericht op groei, op ontplooiing Genesis/ Bereshiet 1:28
Vrucht draagt zaad en zaad draagt toekomst Genesis/ Bereshiet 1:29
Plantaardig voedsel voor al dat leeft Genesis/ Bereshiet 1:30
Scheppen en voltooien in één Genesis/ Bereshiet 1:31
Hemel en aarde zijn voltooid Genesis/ Bereshiet 2:1
Voltooiing en loslaten Genesis/ Bereshiet 2:2
Rust wordt een begin Genesis/ Bereshiet 2:3
De schepping ontwikkelt zich naar haar bestemming Genesis/ Bereshiet 2:4
Oorzaak en gevolg Genesis/ Bereshiet 2:5
Damp stijgt op, water in beweging Genesis/ Bereshiet 2:6
Van vruchtbare aarde tot schepsel Genesis/ Bereshiet 2:7
De verborgen ruimte van Gan Eedèn Genesis/ Bereshiet 2:8
(zie voor de hertaling van 2:9 Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9)
Water dat blijft stromen brengt leven waar het komt Genesis / Bereshiet 2:10
Pisjon verschijnt als een rivier door een streek van overvloed Genesis / Bereshiet 2:11
Waar water en rijkdom samenkomen Genesis / Bereshiet 2:12
Beweging en vertakking zetten zich voort Genesis / Bereshiet 2:13
cover: fragment schilderij met Torarol door Marc Chagall, foto Bloom
Geef als eerste een reactie