Genesis / Beresjiet 1:29
Klassieke vertaling: En God zei: ‘zie ik heb jullie gegeven (soms vertaald: ik geef jullie) al het kruid, dat zaad draagt, dat op de oppervlakte van de hele aarde is, en al het geboomte waaraan de boomvrucht is, die zaad draagt: het is voor jullie tot voedsel.
Hertaling
En Elohiem zei: ‘zie, ik heb jullie gegeven elke plant – zaad zaaiend – dat over de oppervlakte van de hele aarde is – en al het geboomte dat boomvrucht in zich heeft – zaad zaaiend; het zal voor jullie tot voedsel zijn’:
Zie, ik heb jullie gegeven
En Elohiem zei:
zie, ik heb jullie gegeven.
Niet: ik zal geven.
Niet: ik ga geven.
Maar: ik heb gegeven.
Wat genoemd wordt, was reeds voorbereid.
Wat wordt aangewezen, was al aanwezig in de ordening van de aarde.
Het spreken onthult wat er al is neergelegd binnen de schepping zelf.
De gave komt niet als een nieuwe scheppingsdaad, maar als een aanwijzing: zie wat er voor jullie is.
Aangezicht van de aarde
Elke plant, zaad zaaiend, over de oppervlakte van de hele aarde.
Niet een enkele plek, niet een afgebakend gebied,
maar alles wat groeit over het aangezicht van de aarde.
Wat klein is en laag groeit, wat zich verspreidt, wat telkens opnieuw voortbrengt.
De aarde draagt het in zich: leven dat zichzelf voortzet, leven dat blijft groeien en zich blijft vernieuwen.
Boom en vrucht – van binnenuit
En ook al het geboomte dat boomvrucht in zich heeft, zal zaad zaaien.
De vrucht verschijnt niet los, maar ontstaat van binnenuit.
In de boom ligt reeds besloten wat later zichtbaar wordt.
Vrucht draagt zaad, en zaad draagt toekomst.
Wat gegeven wordt als voedsel,
is tegelijk drager van voortgang.
Zo wordt voeding niet slechts verbruik,
maar deelname aan een kringloop van leven.
Voedsel als deel van de ordening
Het zal voor jullie tot voedsel zijn.
Niet als willekeurige toekenning, maar als passende voorziening
binnen de schepping die al geordend is.
Wat groeit uit de aarde, wordt gegeven aan de mens.
Wat zaad in zich draagt, blijft zich voortzetten terwijl het voedt.
De mens ontvangt dus niet alleen voedsel, maar voedsel dat zelf leven draagt.
Gave in meervoud
En opnieuw klinkt het woord: jullie.
De gave is niet gericht op één enkel wezen, maar op de mens als geheel.
Zoals de zegen eerder in meervoud werd uitgesproken, zo wordt ook de voeding in meervoud gegeven.
De aarde wordt vervuld met leven, en uit dat leven wordt voedsel aangewezen – niet buiten de schepping om, maar er middenin,
als een voorziening die past bij de orde, de groei en de voortdurende voortgang van het leven.
Betekenis en context
Het zaad is gegeven en daarmee de plant en het voedsel als haar voortbrengsel. De planten en het geboomte worden hier niet als nieuw geschapen en ook niet als reeds ontkiemd beschreven, maar als datgene wat binnen de aarde reeds aanwezig is in zaaddragende vorm. De gave kan daarom worden verstaan als een voorbereiding die in de scheppingsorde zelf is gelegd, niet als een onmiddellijk zichtbare groei op dat moment.
Voedsel als onderdeel van de scheppingsorde
De mens ontvangt geen willekeurig voedsel, maar datgene wat uit de aarde zelf voortkomt: planten die zich voortzetten en bomen die vrucht dragen. Dit wijst op een voedselvoorziening die intrinsiek verbonden is met groei, voortgang en continuïteit van het leven.
Voedsel verschijnt hier niet als losstaand gebruiksobject, maar als onderdeel van een levende orde. Wat voedt, draagt tegelijk zaad en daarmee toekomst in zich. De mens leeft dus van datgene wat zelf in staat is zich te vernieuwen en voort te zetten. Zo blijkt dat ook voeding binnen de schepping niet los kan worden gezien van rentmeesterschap, ingebed in een kringloop van leven en voortgang.
Nadruk op zaad en voortzetting
De herhaalde aanduiding van zaad legt de nadruk op voortplanting en continuïteit. Planten en bomen worden niet alleen beschreven als voedselbronnen, maar als levensdragers die zichzelf blijven voortbrengen. De schepping wordt daarmee voorgesteld als een systeem waarin groei en voeding samenhangen.
Gave aan de mens
De formulering blijft gericht tot ‘jullie’, in meervoud. Net als in de voorgaande verzen wordt de mens niet als individueel wezen aangesproken, maar als collectieve werkelijkheid. De voorziening van voedsel is dus niet individueel of beperkt, maar universeel bedoeld: voor de mens als geheel, binnen de gehele aarde.
De opsomming ‘over de oppervlakte van de hele aarde’ versterkt dit universele karakter. De gave is niet plaatselijk, maar omvattend. Wat groeit op aarde wordt als passende voeding aangewezen voor de mens die op diezelfde aarde leeft.
Van schepping naar onderhoud van het leven
Na schepping, ordening en opdracht volgt hier de fase van onderhoud van het leven. De schepping wordt niet alleen tot stand gebracht, maar ook voorzien van middelen tot voortbestaan. Daarmee wordt duidelijk dat de mens vanaf het begin geplaatst wordt in een wereld die niet alleen gevormd is, maar ook onderhouden kan worden door wat zij zelf voortbrengt.
Grammaticale en tekstuele analyse
Wa’jomer Elohiem hinee natati lachèm (ויאמר אלהים הנה נתתי לכם)
‘En Elohiem zei: zie, ik heb jullie gegeven’
De werkwoordsvorm natati (‘ik heb gegeven’) staat in de voltooide tijdsvorm en wijst op een eerdere handeling: een reeds gegeven voorziening.
De toevoeging hinee (‘zie’) benadrukt dit en vestigt de aandacht op de bestaande gave, ook wanneer deze nog niet zichtbaar is in uitgegroeide planten.’
De aanspreekvorm lachèm (‘aan jullie’) blijft meervoudig en sluit aan bij de meervoudige aanspreking van de mens in 1:27 en 1:28.
et-kol-eesev zoree’a zera asjèr al-penee kol-ha’arèts
(את-כל-עשב זרע זרע אשר על-פני כל-הארץ)
‘elke plant – zaad zaaiend – die op de oppervlakte van de hele aarde is’
Het woord eesev wordt vaak vertaald als kruid, maar duidt in bredere zin op plantengroei. De constructie zoree’a zera is opvallend: letterlijk ‘zaaiend zaad’. Dit legt de nadruk niet alleen op het dragen van zaad, maar op het actieve voortbrengen en verspreiden ervan.
De formulering al-penee kol-ha’arèts (‘op de oppervlakte van de hele aarde’) geeft een universele reikwijdte. Grammaticaal wordt hiermee duidelijk dat de voorziening niet lokaal beperkt is, maar de gehele aarde omvat.
we’et kol-ha’eets asjèr-bo peri-eets zoree’a zera
(ואת-כל-העץ אשר-בו פרי-עץ זרע זרע) ‘en al het geboomte dat boomvrucht in zich heeft – zaad zaaiend’
De uitdrukking asjèr-bo (‘dat in zich heeft’) wijst op een innerlijke relatie tussen boom en vrucht. De vrucht is niet extern toegevoegd, maar ligt besloten in de boom zelf. Opnieuw verschijnt de constructie zoree’a zera, waardoor de nadruk op voortzetting en reproductie grammaticaal wordt herhaald.
De parallelle structuur tussen plant en boom versterkt de tekstuele samenhang: beide worden gekenmerkt door het voortbrengen van zaad en daarmee door continuïteit van leven.
lachem jihjé le’achla (לכם יהיה לאבלה) ‘het zal voor jullie tot voedsel zijn’
De vorm jihjé (‘zal zijn’) geeft een toekomstige, blijvende functie aan. Het voedselkarakter wordt niet tijdelijk beschreven, maar als een duurzame voorziening. Opnieuw staat lachem in meervoud, wat bevestigt dat de gave gericht is op de mensheid als geheel.
Grammaticaal sluit deze slotformulering de zin af met een doelbepaling: datgene wat groeit en zaad voortbrengt, wordt bestemd als voedsel. De tekst verbindt daarmee groei, voortzetting en voeding in één samenhangende structuur binnen de scheppingsorde.
Zie de andere delen van deze serie Hertaling van het eerste hoofdstuk van Bereshiet:
De Torah opent als een filmshot na de Oerknal Genesis / Bereshiet 1:1
Daar is water Genesis / Bereshiet 1:1-10
Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9
Jij bent niet buiten Elohiem Genesis / Bereshiet 1:2
Energie wacht om richting te krijgen Genesis / Bereshiet 1:3
Wanneer onderscheid orde schept Genesis / Bereshiet 1:4
Slotakkoord van jom één Genesis / Bereshiet 1:5
Elohiem richt de blik Genesis / Bereshiet 1:6
Er komt ruimte voor adem Genesis / Bereshiet 1:7
Het uitspansel dat we dampkring zijn gaan noemen Genesis / Bereshiet 1:8
Het water wijkt Genesis / Bereshiet 1:9
Het land verschijnt, het water verandert Genesis / Bereshiet 1:10
Uitnodiging aan de aarde zelf Genesis / Bereshiet 1:11
Zaad dat terugkeert naar de aarde Genesis / Bereshiet 1:12
(red.: 1:13 ontbreekt op verzoek auteur)
Letters ontbreken, inzicht ontstaat Genesis / Bereshiet 1:14
Waarneembaar licht dat de aarde bereikt Genesis / Bereshiet 1:15
De zon wordt actief Genesis / Bereshiet 1:16
Door de dampkring heen Genesis/ Bereshiet 1:17
Dag en nacht ons kompas Genesis/ Bereshiet 1:18
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:19 ontbreekt op verzoek auteur)
Vinnen worden vleugels Genesis/ Bereshiet 1:20
Soorten zeeën, soorten leven Genesis/ Bereshiet 1:21
Elohiem zegende hen: een stille, krachtige overdracht van energie en gevoel Genesis/ Bereshiet 1:22
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:23 ontbreekt op verzoek auteur)
Als silhouetten achter een sluier Genesis/ Bereshiet 1:24
Grond die leven draagt Genesis/ Bereshiet 1:25
Mens – een gedachte die richting krijgt Genesis/ Bereshiet 1:26
Van opdracht naar gestalte Genesis/ Bereshiet 1:27
Zegen gericht op groei, op ontplooiing Genesis/ Bereshiet 1:28
cover: fragment uit schilderij van Marc Chagall; foto Bloom, Roubaix, 2024
Geef als eerste een reactie