Genesis/ Bereshiet 2:3
Klassieke vertaling: God zegende de zevende dag en heiligde hem, want daarmee hield hij op, al zijn werk, dat God had geschapen, te maken.
Hertaling
Elohiem zegende de zevende scheppingsfase en heiligde haar, want daarin had hij al zijn werk gestaakt dat Elohiem had geschapen, om te doen zijn.
Wanneer rust wordt geheiligd
En Elohiem zegende de zevende scheppingsfase en heiligde haar –
want daarin kwam het werk tot stilstand, alles wat geschapen was
‘om verder te doen zijn’.
Hier verandert de beweging van de schepping.
Niet langer wordt er gevormd of gescheiden, maar wordt ruimte gegeven.
Niet als leegte, maar als het openen van wat tot stand is gebracht.
De zevende fase draagt geen nieuwe vorm, maar ontvangt een richting:
voorspoed, verankerd in wat al is,
en gericht op wat zich verder zal ontvouwen.
Een bevestiging dat oorzaak en gevolg blijven doorwerken,
dat de samenhang van het geheel standhoudt,
ook wanneer het doen zelf niet meer wordt voortgezet.
Deze zegening reikt voorbij het moment.
Verleden, heden en toekomst vallen samen – één lijn, één geheel,
zoals de bron waaruit alles voortkomt.
En toen werd deze fase geheiligd.
Ingewijd, vervuld door zuiverheid en heelheid, niet als iets los van de schepping,
maar als datgene wat haar draagt.
Wanneer het geschapene verder gaat
Want wat geschapen is, is niet statisch.
Het draagt beweging in zich, invloed, verandering, ontwikkeling –
een doen dat zich voortzet.
De rust onderbreekt dat niet – zij opent het juist.
In het staken van het werk ontstaat ruimte waarin het geschapene zelf verder kan gaan,
waarin het zich kan ontvouwen naar wat het bedoeld is te zijn.
Zo wordt rust geen einde, maar een begin.
Betekenis en context
Zegen als verankering van de schepping
De zevende scheppingsfase wordt gezegend en geheiligd.
Zegenen betekent dat er voorspoed wordt meegegeven voor de toekomst. Die voorspoed ligt besloten in de samenhang van de schepping zelf, waarin alles een geheel vormt. Dat betekent niet dat alles voor de mens altijd als positief wordt ervaren, maar wel dat het binnen de orde van de schepping klopt. Oorzaak en gevolg worden bevestigd en verankerd.
Heiliging als toewijding en heelheid
De heiliging van de zevende scheppingsfase houdt in dat aan deze fase een bijzondere status wordt toegekend. Zij wordt ingewijd en gekenmerkt door zuiverheid en heelheid. Wat afbreuk doet aan die heelheid wordt uiteindelijk opgeheven.
Heiliging betekent daarom niet afzondering van het geheel, maar maakt mogelijk dat het geheel in stand blijft en zich, gedragen door de zegening, verder kan ontwikkelen.
Ontwikkeling en rust als ruimte
Wat geschapen is, blijft in ontwikkeling. De rust van de zevende fase onderbreekt dit niet, maar schept ruimte waarin het geschapene zich verder kan ontvouwen. Doordat het werk wordt gestaakt, krijgt het de gelegenheid zich actief te ontwikkelen.
Vanuit die gedachte kan sjabbat worden verstaan als een moment van bezinning en verdieping. Wanneer het gewone werk wordt losgelaten, ontstaat ruimte om te leren, terug te keren naar de innerlijke bron en stil te staan bij wat werkelijk van betekenis is. Juist in die ruimte kan de mens groeien in inzicht, verbinding en bewustzijn. Vanuit die verbinding groeit het besef van verbondenheid met Elohiem, met de schepping en met de oorsprong van het bestaan.
Afronding van de zevende scheppingsfase
De zevende scheppingsfase vormt de afronding van het scheppingswerk en tegelijk het begin van de verdere ontvouwing van het geschapene.
Juist deze fase wordt gezegend en geheiligd. Dat betekent dat in deze afronding het geheel wordt bevestigd en een bijzondere status ontvangt. Wat tot stand is gekomen wordt in samenhang gezien en bekrachtigd. Hier wordt niet iets nieuws toegevoegd, maar wordt het bestaande als geheel bevestigd.
Vanuit deze samenhang krijgt de zegening en heiliging ook een verdere doorwerking.
Deze lijn van zegen komt terug in de traditie waarin wordt benadrukt dat verleden, heden en toekomst één geheel vormen.
Een zegen werkt alleen wanneer er verbinding is: wanneer zowel degene die zegent als degene die ontvangt openstaat voor de kracht die daarin besloten ligt.
In het vierde boek van Mozes, Bamidbar (Numeri), 6:24–26, staat de zegening opgetekend:
‘De Eeuwige zal u zegenen en u bewaken …’
Daarna volgt een zin die de werking van de zegen bepaalt:
‘En (als) zij mijn naam hebben geplaatst – of gevestigd – op de kinderen van Israël, dan zal ik jullie zegenen.’
Hieruit blijkt dat de zegen niet losstaat van het plaatsen van de naam van de Eeuwige op het volk. Dat vraagt om verbinding: van degene die de zegen uitspreekt met zijn eigen bron, met de kracht van Elohiem, én met het volk dat wordt gezegend. Zonder die verbondenheid blijft de zegen zonder uitwerking.
De rol van de mens en verantwoordelijkheid
Een heilig volk zijn betekent dat mensen, nadat zij ervoor hebben gekozen om in verbinding te staan met de kracht van Elohiem, die verbinding daadwerkelijk en bewust aangaan door te sublimeren en zo het geschapen systeem in stand houden, waardoor zij optimaal kunnen leven.
Ook ieder mens kan persoonlijk deze zegening en heiliging ontvangen; het Joodse volk heeft als geheel gekozen voor die verbinding.
Dat brengt rechten en plichten met zich mee; er is geen sprake van vrijblijvendheid. Er is vreugde en pijn, en het ervaren van die verbinding.
Wanneer de mens kiest voor eigenbelang en zich niet richt op het geheel, komt die verbinding niet tot stand.
Nadere verklaring over zegen en heiliging
Wat zou er gebeurd zijn zonder zegening en de heiliging?
De tekst laat zien dat deze nodig zijn om het leven binnen de schepping tot ontwikkeling te laten komen. Verstoring van de samenhang werkt als een terugkerende beweging die de mens met de gevolgen confronteert.
Nadere duiding van zegen en heiliging
Het feit dat Elohiem op verschillende momenten ziet dat iets goed is, duidt erop dat dit blijvend is binnen de samenhang van de schepping.
Afronding en volgorde van zegen en heiliging
Alle invloeden die later door dier en mens ontstaan, brengen veranderingen teweeg. De heiliging brengt de zuiverheid en heelheid in het proces, die steeds opnieuw moet terugkeren voordat voorspoed zich kan manifesteren.
Opvallend is dat eerst de zegening wordt genoemd en daarna de heiliging. Dat wijst erop dat de heiliging niet losstaat, maar betrekking heeft op wat eerst is gezegend. De volgorde laat zien dat het gaat om het heiligen van datgene waaraan reeds zegen is meegegeven.
Dit is de volgorde vanuit Elohiem. Vanuit de mens is die omgekeerd: eerst moet zuiverheid en heelheid worden hersteld, waarna de zegening kan plaatsvinden. De mens moet de kans krijgen om weer heel te worden en verder te kunnen gaan.
Grammaticale en tekstuele analyse
Wa’jevareich Elohiem èt-jom ha’sjevie’ie
(השביעי ויברך אלהים את-יום)
‘Elohiem zegende de zevende scheppingsfase’
Jevareich betekent ‘hij zal zegenen’. Door de omkeer- waw wordt dit ‘hij zegende’.
In 2:2 wordt gesproken over ba’jom ha’sjevie’ie (‘in de zevende scheppingsfase), waarbij de zevende scheppingsfase het kader van de handeling vormt.
In 2:3 staat et-jom ha’sjevie’ie, waarbij deze fase als lijdend voorwerp wordt aangewezen. Daardoor is juist deze fase het object van zowel het zegenen als het heiligen.
wa’jekadeesj oto (ויקדש אתו) ‘en heiligde hem’
Wa’jekadeisj betekent: inwijden, apart zetten.
Het persoonlijk voornaamwoord oto (hem) staat in het mannelijk enkelvoud en verwijst naar jom, dat grammaticaal mannelijk is.
kie bo sjabbat mikol-melachto asjèr-bara Elohiem
(כי בו שבת מכל-מלאכתו אשר-ברא אלהים)
‘want daarin had hij al zijn werk gestaakt, dat Elohiem had geschapen’
Het werkwoord sjabbat betekent ophouden met werken of staken.
Door de combinatie met mikol (‘van al’) wordt duidelijk dat dit het gehele werk betreft.
la’asot (לעשות) ‘om te doen zijn’
La’asot is een infinitiefvorm. De voorvoeging la- betekent “om te”.
Zie 1:3 Energie wacht om richting te krijgen voor de toelichting op ‘hebben’ (beweging) en ‘zijn’, waarin ‘zijn’ richting aanduidt.
Zie de andere delen van deze serie Hertaling van het het Scheppingsverhaal in Bereshiet:
De Torah opent als een filmshot na de Oerknal Genesis / Bereshiet 1:1
Daar is water Genesis / Bereshiet 1:1-10
Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9
Jij bent niet buiten Elohiem Genesis / Bereshiet 1:2
Energie wacht om richting te krijgen Genesis / Bereshiet 1:3
Wanneer onderscheid orde schept Genesis / Bereshiet 1:4
Slotakkoord van jom één Genesis / Bereshiet 1:5
Elohiem richt de blik Genesis / Bereshiet 1:6
Er komt ruimte voor adem Genesis / Bereshiet 1:7
Het uitspansel dat we dampkring zijn gaan noemen Genesis / Bereshiet 1:8
Het water wijkt Genesis / Bereshiet 1:9
Het land verschijnt, het water verandert Genesis / Bereshiet 1:10
Uitnodiging aan de aarde zelf Genesis / Bereshiet 1:11
Zaad dat terugkeert naar de aarde Genesis / Bereshiet 1:12
(red.: 1:13 ontbreekt op verzoek auteur)
Letters ontbreken, inzicht ontstaat Genesis / Bereshiet 1:14
Waarneembaar licht dat de aarde bereikt Genesis / Bereshiet 1:15
De zon wordt actief Genesis / Bereshiet 1:16
Door de dampkring heen Genesis/ Bereshiet 1:17
Dag en nacht ons kompas Genesis/ Bereshiet 1:18
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:19 ontbreekt op verzoek auteur)
Vinnen worden vleugels Genesis/ Bereshiet 1:20
Soorten zeeën, soorten leven Genesis/ Bereshiet 1:21
Elohiem zegende hen: een stille, krachtige overdracht van energie en gevoel Genesis/ Bereshiet 1:22
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:23 ontbreekt op verzoek auteur)
Als silhouetten achter een sluier Genesis/ Bereshiet 1:24
Grond die leven draagt Genesis/ Bereshiet 1:25
Mens – een gedachte die richting krijgt Genesis/ Bereshiet 1:26
Van opdracht naar gestalte Genesis/ Bereshiet 1:27
Zegen gericht op groei, op ontplooiing Genesis/ Bereshiet 1:28
Vrucht draagt zaad en zaad draagt toekomst Genesis/ Bereshiet 1:29
Plantaardig voedsel voor al dat leeft Genesis/ Bereshiet 1:30
Scheppen en voltooien in één Genesis/ Bereshiet 1:31
Hemel en aarde zijn voltooid Genesis/ Bereshiet 2:1
Voltooiing en loslaten Genesis/ Bereshiet 2:2
cover: fragment schilderij met Torarol door Marc Chagall, foto Bloom
Geef als eerste een reactie