“Zonder sjoel is assimilatie onvermijdelijk”, zei Bloeme Evers-Emden in 2007 bij het vijftigjarige bestaan van Sjoel West. Ze zei dat in de kleinste sjoel van Nederland, in Amsterdam-West.
“Joods Nederland slaat een bladzijde om”, schreef ik in het In Memoriam na haar overlijden op maandagochtend 18 juli 2016 – 12 Tammoez 5776 op 96-jarige leeftijd. Haar leven eindigde in Israël, waar inmiddels de meeste van haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen wonen.
Tien jaar later op 12 Tammoez is het de tiende jaartijddag van Bloeme bat Imanoe’el aleha hashalom. Aan de hand van eigen herinneringen, uitspraken van Bloeme en wat anderen van haar leerden, probeer ik een beeld te schetsen van haar persoon en persoonlijkheid. Het beeld is zeker niet compleet, het zijn – denk ik – belangrijke aspecten van de persoon en persoonlijkheid van Bloeme Evers-Emden.*
*Dit verhaal in drie delen is gebaseerd op de toespraak van Ruben Vis bij de tiende jaartijd van Bloeme Evers-Emden
Sjabbat 27 juni 2026
Sjoel West, Amsterdam
Afkomst en familie
Bloeme kwam uit een niet-religieus, socialistisch Joods gezin, zoals zovele vooroorlogse Amsterdamse Joden, in een tijd dat zij zo’n tien procent van de Amsterdamse bevolking vormden. In haar Curriculum Vitae uit 1999 omschreef ze zichzelf als geboren in 1926 als oudste van twee dochters in het gezin van een diamantbewerker. In die kring was de godsdienst ingeruild voor politiek bewustzijn met een scherp oog voor het fascistische gevaar vanaf 1933.
De familienaam Emden verwijst naar Rabbi Jacob Emden, zoon van Chacham Zwi, een van de grootste Asjkenazisch-Joodse geleerden die Amsterdam heeft gekend. Op het titelblad van elk van zijn inmiddels twaalf delen rabbinale responsa vermeldt opperrabbijn Raphael Evers, Bloeme’s oudste zoon, deze afstamming; niet alleen als eerbewijs aan Rabbi Jacob Emden, maar ook aan zijn moeder, die haar meisjesnaam Emden nooit aflegde. Voor Raph een uiting van kieboed Eem, eerbied voor je moeder.
Bloeme’s ouders, Emanuel Emden en Roza Emden-de Vries, en haar zes jaar jongere zusje Via Roosje, stierven op 9 juli 1943 in Sobibor. De familielijn van vader Emanuel, diamantbewerker net als zijn vader Abraham, is in Amsterdam te traceren tot Emanuel Joseph Emden, geboren rond 1730, die zich na 1787 in Amsterdam vestigde.
Onderduik en dwangarbeiderskamp Liebau
Na onderduik werd Bloeme gepakt en kwam ze terecht in Westerbork, Auschwitz en dwangarbeiderskamp Liebau waar ze werd bevrijd.
Vanaf mei 1943 verbleef ze vijftien maanden lang op zestien onderduikadressen. Tot op 29 augustus 1944, zoals bij ongeveer een derde van de onderduikers, het misging en ze in Westerbork belandde.
Op 3 september werd ze op transport gezet naar Auschwitz, het laatste transport vanuit Westerbork, als strafgeval. In dezelfde trein als het gezin van Otto en Edith Frank en hun dochters Margot en Anne. De barakken waar Bloeme en Margot en Anne in terecht kwamen, stonden naast elkaar.
*(red.) Zie over de Vrouwen van Kamp Libau het onderzoek van Kevin Wilson.
Enige overlevende
Bloeme keerde als negentienjarige terug naar Amsterdam, zonder ouders en als enige overlevende van haar enorm uitgebreide familie aan beide kanten.
Ze kon intrekken bij Meijer van Moppes, diens niet-Joodse vrouw en hun zoon Alfred (Fred), twee jaar ouder dan Bloeme.
Bloeme en Fred van Moppes waren al tijdens de oorlog bevriend, zo blijkt uit haar autobiografie én uit archiefstukken: op 21 december 1941 deed de toen 17-jarige Alfred van Moppes aangifte van fietsdiefstal vanuit de Lutmastraat waar het gezin Emden woonde. Aan de ouders van Fred gaven Bloeme’s ouders enkele waardevolle spullen in bewaring. Direct na haar terugkeer trok Bloeme naar de familie Van Moppes.
Vader Meijer van Moppes was voorzitter van roeivereniging Poseidon; een niet-Joodse vereniging waar Joden wél bij mochten roeien, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Koninklijke Roeivereniging De Hoop.*
*Bij een razzia in juni 1941 werd de kantine van Poseidon ‘leeggehaald’: iedereen werd opgepakt. Het Poseidon-gebouw aan de Weesperzijde werd in 1944 door de bezetter gesloopt. Na de oorlog kreeg De Hoop die mooie plek aan de Amstel, terwijl Poseidon tot 1954 moest wachten op een eigen, minder gunstig gelegen onderkomen.
Huwelijk, gezin en zoon Sem zl”
Bij Poseidon ontmoette Bloeme na de oorlog haar latere man Hans. Ze trouwden in 1950 en gingen in 1957 wonen aan de Bakhuizen van den Brinkhof in Amsterdam-Nieuw-West, naast de Sloterplas. Ze kregen zes kinderen: Raph, Via, Sem, Naomi, Benjamin en Dani. Niet alleen Raph werd rabbijn; ook Via trouwde met een rabbijn. Dani en Benjamin verdiepten zich grondig in het Jodendom.
Zoon Sem was madriech bij Bne Akiwa en stond bekend om zijn zachtaardigheid. Sem overleed op 17-jarige leeftijd na een verkeersongeluk op weg naar het ochtendminjan op school. Wat zou er van Sem zijn geworden? Misschien ook rabbijn?
Mijn eerste kennismaking met de familie was als kind in Rotterdam, waar mijn ouders bevriend waren met de familie Evers. Op zevenjarige leeftijd probeerde ik een ‘Belgenmop’ te vertellen aan twee Amsterdamse jongetjes met identieke metalen brilmontuurtjes: Benjamin, toen negen en Dani, net als ik zeven.
Voordat ik de eerste zin had afgemaakt, corrigeerde Benjamin me: je kunt niet zomaar zeggen dat alle Belgen niet-snugger zijn, want er zijn snuggere en niet-snuggere mensen. Een vroeg staaltje van moreel besef dat het gezin uitstraalde.
Later werkte ik veel en intensief samen met Raph, bij wie ik diezelfde zachtmoedigheid en tolerantie herkende en een onbeperkte kieboed Eem jegens zijn moeder.
Liberox en orthoraal
Bloeme en Hans plaatsten ooit in een Rosj Hasjana-advertentie de tekst ‘liberox en orthoraal chag sameach allemaal’. Veelzeggend. Bloeme was zelfbewust religieus, maar open voor andere opvattingen en levensstijlen.
Die houding gaf ze door aan haar kinderen en kleinkinderen, en die sfeer wist ze ook in Sjoel West te creëren en te behouden.
In haar autobiografie uit 2012* schreef ze die verdraagzaamheid toe aan haar ouders die haar dit “mijn leven lang,” zoals ze schreef, hadden meegegeven.
In 1986 sprak Bloeme bij een symposium van het OJEC (Overlegorgaan van Joden en Christenen, mede opgericht door Hans Evers). Gevraagd naar haar gevangenschap in Auschwitz en Liebau, zei ze: “Ik sta hier omdat ik ondanks alles een onverwoestbaar vertrouwen heb in de mens. Daar heb ik behalve de kant van de demonen ook de goedheid van de mens gezien.”
In 2008 voegde ze daaraan toe: ook al was je voor de Duitsers slechts een nummer, ingekrast in je arm, onderling bleven de gevangenen beleefd tegen elkaar. In hun werkkampbarak bestond geen onderlinge diefstal, hoe groot de honger ook was. Haar groep probeerde de hoop levend te houden door te fantaseren over ‘straks’ en elkaar zoveel mogelijk bij te staan.
*Als een pluisje in de wind; autobiografie van Bloeme Evers-Emden;Uitgeverij Van Praa, 2012 (uitverkocht)
wordt vervolgd
cover: Bloeme Evers bij haar thuis; beeld, AT5
Geef als eerste een reactie