Verzetsheld en godsdienstleraar Koos Caneel liet onuitwisbare sporen achter bij zijn leerlingen   

blok huizen dat wordt gesloopt met kleine rode auto ervoor

Koos Caneel (1909-1997) was een begenadigd en geliefd leraar, een geboren verteller en een ware kindervriend.

Voor de Tweede Wereldoorlog speelde hij als adjunct-directeur van het Joodse Jongensweeshuis een heldenrol bij de redding van een deel van zijn pupillen. 

Na de oorlog bouwde hij de Joodse gemeenschap in het Gooi verder op. Later reisde hij, samen met zijn vrouw Ina, jarenlang door heel Nederland als reizend godsdienstleraar van het Nederlands Israëlietisch Kerkgenootschap (NIK). Hij gaf les aan Joodse kinderen die verspreid over het land woonden. Vele oud-leerlingen spreken nog altijd met respect en warmte over ‘meneer Caneel’. Voor velen was hij bepalend voor hun Joodse identiteit.

Jeugd in Veendam

Koos was de jongste van vijf kinderen. Hij groeide op in Veendam, een voormalige veenkolonie in Groningen. De Joodse gemeenschap beschikte over een synagoge, een Joodse school en een eigen leraar. Veel Joodse gezinnen leefden in armoede en waren afhankelijk van steun.

De familie Caneel had het relatief goed. Zijn vader was koopman, terwijl veel Joden in de streek actief waren in de veehandel.

Seminarist in Amsterdam

Op dertienjarige leeftijd vertrok Koos op advies van zijn leraar I. Denneboom naar het Nederlands Israëlietisch Seminarium in Amsterdam. Zijn moeder had haar twijfels. Ze vreesde dat haar jongste zoon heimwee zou krijgen en maakte zich zorgen over de matige huisvesting van de seminaristen.

Al snel ontdekte Koos dat hij, als jongen uit de Mediene, een grote achterstand had in Joodse kennis. Op eigen verzoek ging hij terug naar de voorbereidende klas. Pas twee jaar later sloot hij aan bij de reguliere opleiding. Op zijn zestiende besloot hij geen rabbijn, maar godsdienstleraar te worden.

Sobere leefomstandigheden

De huisvesting van seminaristen van buiten Amsterdam was uiterst eenvoudig. Koos deelde een klein dakkamertje met een oudere student. Er was slechts ruimte voor twee bedden, een tafeltje en twee stoelen. Stromend water en een toilet ontbraken. In de winter zorgde een rokend oliekacheltje voor wat warmte.

Ook de maaltijden waren sober. Niet-Amsterdamse studenten aten elke dag bij een ander gastgezin. “Vijf avonden per week erwtensoep was geen uitzondering,” schreef Koos later. Donderdag was steevast visavond, iets waar hij als jongen een grote hekel aan had.

Over de opleiding zelf was hij kritisch. Die vond hij te amateuristisch en de begeleiding schoot vaak tekort. Toch keek hij met waardering terug. Volgens hem leverde het Seminarium een generatie gemotiveerde leraren af die in vele Joodse gemeenten een belangrijke rol speelde en veel respect verwierf, zowel binnen als buiten de Joodse gemeenschap.

Heldendaad in 1943

In 1930 werd Koos hoofd van de godsdienstschool voor Joodse kinderen uit de Jordaan, de Kinkerbuurt en Amsterdam-West. Vanaf 1938 was hij adjunct-directeur van het Joods Jongensweeshuis Megadlé Jethomiem aan de Amstel.*

Op 10 februari 1943 vond daar een grote razzia plaats. Alle jongens en personeelsleden werden opgepakt voor deportatie. Koos ontsnapte aan dat lot omdat hij die dag niet in het weeshuis aanwezig was.

Zodra hij hoorde wat er was gebeurd, nam hij contact op met de Joodse Raad en haastte zich naar de Borneokade waar de kinderen op transport werden gezet naar Westerbork. Samen met medewerkers van de Joodse Raad slaagde Koos erin om ongeveer dertig kinderen uit de deportatietrein te smokkelen door ze onder dekzeilen op fietskarren met levensmiddelen te verbergen. 

Hoewel hij daarmee vele levens redde, bleef Koos de rest van zijn leven gebukt gaan onder het lot van de jongens die hij niet had kunnen redden. 

Tegen zijn leerlingen sprak hij regelmatig over dat blijvende schuldgevoel. Het verlies van de kinderen die werden vermoord heeft hem nooit meer losgelaten.

wordt vervolgd


*(red.) Nu herinnert een lint van steen bij het huidige Muziektheater aan het Joodse jongensweeshuis Megadlé Jethomiem, dat vanaf mei 1865 was gevestigd aan de Amstel 21. Zie JCK over dit onderwerp. En Joodsamsterdam.nl – met alle namen van de vermoorde leerlingen en verzorgers.

Bronnen
K. Caneel, “De lerarenopleiding anno 1922”, in: “Lo Jamoesj”, opstellen van docenten en vrienden van het Nederlands-Israelietisch Seminarium, 1989 
J. Michman, H. Beem en D. Michman: Pinkas  Hakehillot, Nederland, Jeruzalem,1989


cover: sloop van het Jongensweeshuis aan de Amstel, foto Izak Salomons zl”, 1977

Over Jaap Colthof 34 Artikelen
Dr. Jaap Colthof, geboren in Den Haag, woont sinds 1979 in Jeruzalem. De laatste jaren doet hij historisch onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse Jodendom in de 19de en begin 20ste eeuw. Hij publiceerde een boek met markante verhalen uit Joods Amsterdam rond 1800 en een biografie over de Amsterdamse opperrabbijn Jozef Zvi Dunner. Verder publiceerde hij artikelen in het Nederlands, Hebreeuws en Engels, onder andere over de Rotterdamse opperrabbijn Bernhard Loebel Ritter.

6 Comments

  1. Dank voor dit stuk over de memorabele Koos Caneel, oom Koos waarvan ik zes jaar les gehad heb en louter mooie herinneringen aan bewaar. Over die redding heb ik nooit iets gehoord. Heel waardevol om dat nu wel te weten. Dank daarvoor. In de jaren ’90 heeft Kiki Amsberg hem geïnterviewd voor OVT, radio 1.

  2. Met de zoon van oom Koos, Joop, heb ik nog steeds contact. Mijn oudste broer en ik gingen elke zondag met de bus vanaf de Middenweg naar Bussum. Mijn oudste broer had les van oom Koos en ik van tante Ina. In de tijd, dat oom Koos aan het Seminarium leerde, at hij eens per week bij mijn grootouders. Op latere leeftijd namen Koos en Ina hun intrek in Beth Shalom, waar ik ze dan tegenkwam, want ik ging op Shabbat daar naar sjoel!

  3. Dank Jaap voor dit waardevolle en liefdevolle artikel over Koos Caneel z”l.
    Graag geef ik er twee aanvullingen op, de eerste hier, de tweede bij je vervolg van 11 augustus.

    De door jou genoemde leraar op wiens advies hij naar het Nederlands Israëlietisch Seminarium in Amsterdam vertrok, was Izak Denneboom (Meppel 1891-Sobibor 1943). Zelf was hij ook aan datzelfde seminarium tot godsdienstleraar opgeleid. Een aantal jaren heeft hij met zijn gezin in Veendam gewoond en daar naar ik aanneem het genoemde advies gegeven. Vanuit Veendam vertrok het gezin Denneboom naar Hilversum, waar Izak als directeur de Rudelsheim Stichting (Beth Azarja) ging leiden.

    Het gezin woonde er intern en had aan het begin van de Duitse deportaties een Sperre.
    Op 7 april 1943 werden de circa 80 kinderen en personeelsleden met verhuiswagens afgevoerd, om in de vernietigingskampen te worden omgebracht. Izak Denneboom en zijn vrouw waren al eerder gearresteerd.
    Twee van hun drie zonen wisten te ontkomen, van wie één de oorlog in onderduik heeft overleefd. Dat was Menno Denneboom, naamgenoot van mijn vader en één van mijn oudooms.

    Het afgelopen decennium zijn over de vooroorlogse Rudelsheim Stichting en het tragische einde twee albums verschenen, samengesteld door Ida Tielen, één speciaal gericht op leerlingen van groep acht. In mei 2018 werd aan de Verdilaan tegenover het vroegere tehuis een monument onthuld in de vorm van een bronzen beeld van de hand van Marloes Eerden.

    Zoals je schrijft gingen Koos en Ina Caneel na de bevrijding leiding geven aan het instituut, dat nu fungeerde voor de opvang en behandeling van Joodse oorlogspleegkinderen.
    Daarover vertelt hij uitgebreid in het hierboven door Bertien genoemde interview met Kiki Amsberg, via de link nog steeds integraal te beluisteren.

    https://schatkamer.beeldengeluid.nl/serie/2101608030021688031/uitzending-joodse-omroep/aflevering/2101608040033129131
    https://www.oorlogsbronnen.nl/tijdlijn/877abbea-320b-43b7-b236-a77a98000cd7

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*