Genesis / Bereshiet 1:25
Klassieke vertaling: En God maakte het wild van de aarde naar zijn soort, en het vee naar zijn soort, en al het kruipend gedierte op de aarde naar zijn soort, en God zag dat het goed was:
Hertaling
Elohiem deed zijn: carnivoor naar haar soort en de herbivoor naar haar soort en ieder kruipend dier van de vruchtbare grond naar zijn soort. En Elohiem zag: dat goed is:
Hiervoor had Elohiem aangekondigd wat komen zou.
Dat de aarde wezens tevoorschijn zou brengen,
zoals eerder de zeeën het wemelen van leven ontvingen.
Nog niet zichtbaar – slechts opgenomen in de blauwdruk van het worden.
En nu komt de volgende beweging.
De aarde draagt wat komen moet
Hier staat dat Elohiem de landdieren tot ontwikkeling deed komen, vanuit wat de aarde al meedroeg
sinds haar eerste ontstaan.
Niet uit het niets, niet door directe vorming,
maar als een ontvouwing van wat vanaf het begin in haar fundament besloten lag.
Zoals warmte-energie in stilte wachtte tot zij werkzaam werd,
zo droeg ook de aarde de kiemen van leven in zich – ongezien, maar klaar om zichtbaar te worden.
Een spoor terug naar de zee
De woorden ‘de aarde zal tevoorschijn brengen’
– direct na de schepping van de zeedieren –
fluisteren een verborgen lijn: dat landdieren voortkwamen uit het leven van de zee.
De nadruk ligt op de werking van het land: op het voedsel dat de aarde draagt.
Zo ontstaat de natuurlijke volgorde:
vissen eerst, dan wezens die het water verlaten,
wezens die vinnen ruilen voor poten,
kieuwen voor longen, die voortaan leven van zaden, vruchten, wormen
en het leven dat over de grond kruipt.
Vruchtbare grond – een nieuw woord
Voor het eerst spreekt de tekst nu niet over land of aarde,
maar over vruchtbare grond.
De grond die baren kan, de grond die leven draagt.
Het woord ‘maken’ ontbreekt in de vertaling bewust.
Elohiem vormt de dieren niet met de hand;
Elohiem laat hun ontwikkeling plaatsvinden
binnen omstandigheden die al zijn voorbereid.
De ordening van soorten – in twee ritmes
Eerst klinkt de aankondiging in de natuurlijke volgorde
van de voedselketen:
herbivoor, kruipend gedierte, carnivoor.
Maar wanneer zij door de aarde worden voortgebracht,
niet als beschrijving van een biologisch ontstaan,
blijkt een tweede ordening: de wereld van kracht.
Eerst de carnivoren – de jagers, de eersten die de balans van het land bewaken.
Daarna de herbivoren, die leven van wat het land voortbrengt.
En pas daarna het kruipend gedierte, dat leeft van wat beweegt of achterblijft.
Twee ordeningen: één van wording, één van positionering.
De noodzaak van evenwicht
Want stel dat er geen roofdieren waren…
De planteneters zouden zich zo snel vermeerderen
dat zij het land en zichzelf uitputten.
Daarom nemen de krachtige soorten hier de eerste plaats in –
niet als bedreiging, maar als bewakers van evenwicht.
Een fundament van leven dat Elohiem in deze fase zichtbaar maakt.
De afronding
En dan volgt de bevestiging:
dezelfde klank die iedere scheppingsstap bekrachtigt.
Elohiem zag:
goed –
waarlijk,
voor altijd.
Betekenis en context
Overgang van zee naar land
De formulering ‘de aarde zal tevoorschijn brengen’ in 1:24, direct na de schepping van de zeedieren, suggereert een doorgaande lijn: het leven op het land sluit aan bij het leven in het water door nadruk te leggen op wat het land voortbrengt en voedt.
De dieren op het land leven van wat daar beschikbaar is: zaden, vruchten, wormen, kruipend gedierte en resten van ander leven.
Zo tekent zich een nieuwe levenswijze af, passend bij het droge.
Overgang naar land en voeding
Wanneer leven het water verlaat en het land betreedt, verandert niet alleen de omgeving, maar ook de wijze van voeden. De eerste landbewonende dieren waren volgens de moderne wetenschap waarschijnlijk alleseters: zij leefden zowel van plantaardig materiaal als van kleine dieren.
Vanuit deze gemengde voedingswijze konden zich verschillende richtingen ontwikkelen. Sommige soorten specialiseerden zich in het eten van planten en pasten zich aan om dit voedsel te verwerken; andere richtten zich steeds meer op dierlijk weefsel, dat veel bouwstoffen levert.
Zo ontstonden herbivoren en carnivoren als verschillende levenswijzen, gevormd door een verschillende omgang met voedsel.
Wanneer Genesis in 1:25 carnivoor als eerste noemt, gaat het niet om biologische volgorde, maar om ecologische werking en zichtbare invloed.
De dieren worden in deze fase onderscheiden. Deze onderscheiding is nog niet voltooid in tastbare vorm; pas in 2:19 wordt beschreven hoe zij concreet worden gevormd. Wat hier plaatsvindt, is de wording onderscheiden levensvormen binnen hun eigen orde.
De volgorde waarin de dieren in 1:25 naar voren worden gebracht, wijkt af van de aankondiging in 1:24. Waar daar de natuurlijke opkomst wordt genoemd – eerst herbivoor, dan kruipend gedierte, en tenslotte carnivoor – verschijnt hier een andere ordening: die van kracht en invloed.
Ordening en evenwicht
Carnivoren worden hier eerst genoemd, daarna herbivoren en tenslotte het kruipend gedierte. Deze ordening maakt het evenwicht van het leven op het land zichtbaar. Zonder roofdieren zouden planteneters zich onbeperkt vermenigvuldigen en hun leefomgeving uitputten. De sterke soorten verschijnen daarom niet als bedreiging, maar als bewakers van het geheel.
Grammaticale en tekstuele analyse
Wa’ja’as Elohiem (ויעש אלהים) ‘En Elohiem deed zijn’
Het werkwoord asa betekent ‘doen’ of ‘maken’, zoals ook in 1:16. De keuze voor wa’ja’as geeft aan dat de landdieren niet direct door Elohiem worden gevormd, maar tot verschijning komen binnen de voorwaarden die al zijn geschapen. De vertaling ‘deed zijn’ laat deze nuance beter uitkomen dan ‘maakte’.
et-chajat ha’arets lemienah we’et-ha’beheima lemienah
(את –חית הארץ למינה ואת-הבהמה למינה)
‘carnivoor naar haar soort en de herbivoor naar haar soort’
‘Chajat ha’arets betekent letterlijk ‘leven van de aarde’. De vorm staat grammaticaal niet in het meervoud. Het Hebreeuwse lidwoord ha- (‘de’) staat hier wel bij ha’arets (‘de aarde’), maar niet bij chajat. Daardoor verwijst de formulering niet direct naar een afgebakende groep dieren, maar laat zij meer open dan veel klassieke vertalingen.
In samenhang met 1:24 kan dit passen bij een ontwikkelingsfase waarin voedingsspecialisaties zich nog ontvouwen. Daardoor blijft chajat ha’arets minder scherp afgebakend als diercategorie. De formulering blijft daardoor opener dan bij ha’beheima, waar een duidelijker onderscheiden categorie verschijnt.
Om dit verschil zichtbaar te houden, is gekozen voor de vertaling ‘carnivoor’ en niet voor ‘de carnivoor’ of ‘carnivoren’.
Bij zowel chajat ha’arets als beheima staat de uitdrukking lemienah. Daarmee wordt aangegeven dat iedere levenscategorie binnen haar eigen orde blijft.
De uitgang -ah duidt op een vrouwelijke vervoeging en stemt overeen met de vrouwelijke zelfstandige naamwoorden chajat ha’arets en beheima.
we’et kol-remes ha’adamah lemieneihoe (ואת כל-רמש האדמה למיניהו)
‘en ieder kruipend dier van de vruchtbare grond naar zijn soort’
Hier verschijnt voor het eerst in de Torah het woord adamah. Bij het kruipend gedierte wordt niet gesproken over ha’arets (‘het land’), maar over ha’adamah (‘de vruchtbare grond’). Kruipende dieren leven op de bodem, in de bodem en van de bodem; daarom is adamah hier preciezer.
De vorm lemieneihoe verschilt van lemienah. Het gaat hier niet om één benoemde categorie, maar om al het kruipende leven op de vruchtbare grond als geheel, waardoor de grammaticale vorm verschilt van lemienah.
Ook lemieneihoe wordt in klassieke vertalingen verschillend weergegeven. Remes is een mannelijk zelfstandig naamwoord; met de uitgang –oe is hier duidelijk sprake van ‘naar zijn soort’,
kie-tov (כי-טוב) ‘dat goed is’
De afsluitende formulering bevestigt de geldigheid van deze fase. Zoals eerder (vgl. 1:10) betekent ‘goed’ hier geen moreel oordeel, maar een vaststelling van harmonie en duurzaamheid: wat tot stand is gekomen, blijft dragend voor wat volgt.
Kie kan verschillende betekenissen dragen, waaronder ‘dat’, ‘want’, ‘waarlijk’. In deze context krijgt het de betekenis ‘waarlijk’, met de strekking van blijvende geldigheid – voor altijd.
Zie de andere delen van deze serie Hertaling van het eerste hoofdstuk van Bereshiet:
De Torah opent als een filmshot na de Oerknal Genesis / Bereshiet 1:1
Daar is water Genesis / Bereshiet 1:1-10
Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9
Jij bent niet buiten Elohiem Genesis / Bereshiet 1:2
Energie wacht om richting te krijgen Genesis / Bereshiet 1:3
Wanneer onderscheid orde schept Genesis / Bereshiet 1:4
Slotakkoord van jom één Genesis / Bereshiet 1:5
Elohiem richt de blik Genesis / Bereshiet 1:6
Er komt ruimte voor adem Genesis / Bereshiet 1:7
Het uitspansel dat we dampkring zijn gaan noemen Genesis / Bereshiet 1:8
Het water wijkt Genesis / Bereshiet 1:9
Het land verschijnt, het water verandert Genesis / Bereshiet 1:10
Uitnodiging aan de aarde zelf Genesis / Bereshiet 1:11
Zaad dat terugkeert naar de aarde Genesis / Bereshiet 1:12
(red.: 1:13 ontbreekt op verzoek auteur)
Letters ontbreken, inzicht ontstaat Genesis / Bereshiet 1:14
Waarneembaar licht dat de aarde bereikt Genesis / Bereshiet 1:15
De zon wordt actief Genesis / Bereshiet 1:16
Door de dampkring heen Genesis/ Bereshiet 1:17
Dag en nacht ons kompas Genesis/ Bereshiet 1:18
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:19 ontbreekt op verzoek auteur)
Vinnen worden vleugels Genesis/ Bereshiet 1:20
Soorten zeeën, soorten leven Genesis/ Bereshiet 1:21
Elohiem zegende hen: een stille, krachtige overdracht van energie en gevoel Genesis/ Bereshiet 1:22
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:23 ontbreekt op verzoek auteur)
Als silhouetten achter een sluier Genesis/ Bereshiet 1:24
cover: fragment uit schilderij van Marc Chagall; foto Bloom, 2024
Geef als eerste een reactie