28 augustus 2012
‘Toli, waarom moet je een nieuwe broek hebben? Deze die je nu aan hebt is nog best mooi!’
Wat weet zo een klein meisje van acht jaar nu van een broek voor jongens. ‘Kijk Chajele, Toli groeit de hele tijd. Zie je m’n pijpen?’ Ik trek mijn broek omhoog en mijn enkels steken er aan de onderkant uit.
‘Kijk deze komt niet eens meer tot aan mijn schoenen. En zie je de mouwen van mijn jas? Die zijn ook al te kort’. ‘Daarom vindt mammie dat je een nieuwe broek moet kopen? En krijg je dan ook een nieuwe jas?’ Ik knik. ‘En jij mag mee om ze uit te zoeken’. Ik geef een knipoog.
‘Chajele, naast de kledingwinkel is de kruidenier. Daar verkopen ze lolly’s.’ Chajele knijpt in mijn hand. ‘Mag ik dan een rooie?’ ‘Jij krijgt van Toli een rooie lolly.’ Meneer Zwarts van de kledingwinkel heeft de broek en m’n nieuwe jas al klaar liggen. ‘Je moeder heeft deze gisteren uitgezocht. Wil je ze nog passen? Of neem je ze zo mee? Mocht de broek niet goed zitten dan kun je altijd nog even terugkomen.’
Chajele stapt naar voren. ‘Meneer, als onze mammie het heeft uitgezocht past het echt wel hoor. Zij weet precies wat wij nodig hebben. Elke mammie weet dat.’ Meneer Zwarts kijkt mijn kleine grote zus aan. ‘Nou nou. Jij wordt later vast ook een echte mammie.’ ‘Ja, vast wel. Maar eerst moet ik trouwen en koopt mijn goosen bij jou een mooi pak.’
Meneer Zwarts’ hand grijpt in een laatje van de toonbank en tovert een snoepje tevoorschijn. ‘Hier jongedame, totdat het zover is heb ik nog wat lekkers voor jou.’ Chajele pakt het snoepje aan. ‘En zo direct krijg ik van Toli nog een lolly. Een rooie.’
Met de broek en mijn nieuwe jas netjes ingepakt lopen we de winkel uit. Dat ik de laatste tijd zo gegroeid ben komt me goed uit. Bij de computerles voelde ik me in het begin een klein jochie tussen al die grote mensen. Ook tegenover Gedalje. Maar nu ben ik omhoog geschoten en mijn snorretje al wat begint te groeien. Toen ik ineens voelde dat ik een grotere maat schoenen moest hebben, voelde ik mezelf ook wat zekerder.
Vorige week bood Gedalje me een sigaret aan. ‘Hier Tol, je bent toch geen kind meer? Voor alles is er een eerste keer.’ Ik vond het maar vies, moest hoesten en toen Gedalje wegrende om de bus te halen gooide ik de sigaret meteen weg. Bah. Maar ik voelde me ineens wel groot. ‘Gooi je je oude broek nu weg Toli?’ ‘Nee natuurlijk niet Chajele. Deze gaat naar Sjia of naar Sjulem, wanneer ze groot genoeg zijn voor deze maat’.
‘O ja. Net zoals ik de jurken krijg die Sorele niet meer passen voordat ze dan weer doorgaan naar Reizele.’ ‘Dat klopt Chajele’. ‘Ik wou dat ik het oudste meisje was, net als jij de oudste jongen. Dan zou ik ook altijd nieuwe kleren krijgen’.
Ik laat het hier maar bij. Is het echt zo leuk om de oudste te zijn? Tattie gaat er nog steeds van uit dat ik over zoveel jaar een Rebbe ben. Terwijl er in mijn hoofd hele andere plannen rondspoken. Waarom moet ik een Rebbe worden? Omdat ik nu eenmaal de oudste zoon ben. Met deze ingewikkelde gedachten zal ik mijn lieve zusje niet lastig vallen. ‘Kom, nu nog even jouw lolly kopen en dan gaan we naar huis. Toli moet op tijd weer in de Jesjiewe zijn.’
Ik ben nu voor de derde keer met Gedalia mee naar zijn clubhuis in Windus Road. Gelukkig ligt het helemaal achter in de straat, verder weg van Stamford Hill. Dus echt wat buiten de Joodse buurt. ‘Wil je ook een Cola Tol? ‘Ja hoor, doe maar.’ De eerste keer voelde ik me vreemd op deze plek. Een Rebbese Einigle in een gojse jongerenclub. Nou het is niet echt gojs. Iedereen is er wel Joods. Maar aan de muur hangt de grote blauwwitte vlag. En ook allemaal gekke posters van mensen in Erets Jisroeil die er helemaal niet Joods uitzien.
Sommige van de jongens in de club hebben niet eens een keppel op hun hoofd. Ik vroeg mezelf eerst af wat ik hier eigenlijk kom doen. Ben ik met Gedalje meegegaan zodat ik nog een sigaret van hem kan sjnorren? Ik ben dan misschien niet zo tevreden met het hele dag zitten te leren in de Jesjiewe. Maar hier hoor ik toch eigenlijk ook niet thuis.
Het is niet die sigaret. Met mijn geld dat ik vrijdags in het mikwe verdien kan ik zelf ook wel sigaretten kopen. En soms doe ik dat ook stiekem. Waarom ik wel mee ga naar de club, omdat ik daar interessante verhalen hoor. Gedalje vertelde mij daar wie hij is. Dat hij ook uit een chassidische familie komt. Niet uit Stamford Hill zoals ik, maar uit Amerika. Zijn vader en moeder wonen in Williamsburg en horen bij de Satmar Chassidim. Het enige waaraan ik zijn achtergrond nog kan herkennen is dat hij in het Jiddisj met mij spreekt.
Trouwens er zijn meer jongens in de club die ook Jiddisj onder elkaar spreken. Ook komen er een paar meisjes die vroeger vroom moeten zijn geweest. Dat hoor en zie ik gewoon. Ik blijf weg uit de hoek waar de meisjes zitten. Maar vorige keer schoven twee van de meisjes bij Gedalje en mij aan tafel. Dat vond ik eerst lastig. Waar ben ik als chassidische bochur in verzeild geraakt? Maar al gauw hadden we een boeiend gesprek. Onderhand stond ik op, deed mijn hoed af en hing mijn kaftan over de leuning van de stoel naast me. Ik voelde me zo iets gemakkelijker en werd meegenomen in de verhalen van de mensen aan tafel. Spannende verhalen die een beetje aansloten bij de verwarde wereld die in mijn hoofd rondspookt.
Ik neem een slok Cola. ‘Sheindel, nu is het jouw beurt om te vertellen wie je eigenlijk bent’. Het meisje tegenover mij kleurt een beetje. ‘Oké dan Gedalje, ik vind het best moeilijk. Ik zal het proberen. Allereerst, noem mij geen Sheindel. Zo heet ik thuis nog steeds. Hier ben ik Jaffa.’ Vooruit Jaffa. Ga je gang’. Gedalje is duidelijk de leider hier.
Aandachtig luister ik naar wat Jaffa over zichzelf heeft te vertellen.
Bochur Jongeman, specifiek lerend in een jesjiewe (Talmoedhogeschool)
Goosen Bruidegom
Sjnorren Geld inzamelen / bedelen
Geef als eerste een reactie