Lilly la Paz peinst over verlies, verwoesting, vluchten en doorzettingsvermogen

Tisja be'Av

springende teckel tegen achtergrond van sefardisch aandoende ornamenten

Vanmorgen keek ik nog één keer naar de hemel boven Amsterdam. 

Ergens tussen de wolken vloog Julian terug naar New York om de rest van zijn zomervakantie thuis door te brengen.* Het terras van De Roos was ineens een stuk stiller geworden. Gek eigenlijk hoe iemand die je pas kort kent toch een lege stoel kan achterlaten. 

We hadden nog uren kunnen praten over ondernemen, geschiedenis en dromen voor de toekomst. Misschien is dat laatste eigenlijk wel de mooiste eigenschap van jonge ondernemers: zij geloven nog steeds dat bijna alles mogelijk is.

Toen we afscheid namen, hoefden we geen grote woorden te gebruiken. Soms is een handdruk of een poot genoeg. ‘Tot volgend jaar’, zeiden we bijna tegelijk. Dat vond ik eigenlijk een veel mooier afscheid dan ‘vaarwel’. 

*zie over de ontmoeting met Julian Businessman: Elfjarige zakenman verwelkomt angel investor

Nieuwe avonturen

‘Tot volgend jaar’ betekent dat er nieuwe verhalen komen, nieuwe vragen en misschien zelfs nieuwe avonturen. Sommige ontmoetingen hoef je niet in één middag af te ronden. Goede gesprekken mogen rustig een volgend hoofdstuk krijgen.

Ik wens Julian heel veel succes terug in New York. Niet alleen met zijn ondernemingen, maar vooral met genieten van zijn vakantie en met gewoon kind kunnen zijn. Dat vergeten volwassenen nog weleens. Ze vragen kinderen vaak wat ze later willen worden, terwijl ze nog volop bezig zijn met ontdekken wie ze vandaag zijn. Misschien is dát wel de mooiste reis die een mens kan maken.

Archief uit de zeventiende eeuw

Nadat ik Julian had uitgezwaaid, keek ik naar Levie. Hij zat alweer met zijn neus diep in een stapel vergeelde boeken, oude kaarten en familieregisters. Sommige mensen gaan na hun vakantie op zoek naar de zon. Levie gaat liever op zoek naar een vergeten naam in een archief uit de zeventiende eeuw. 

“Waar ben je nu weer mee bezig?” vroeg ik nieuwsgierig.

“Met mensen die honderden jaren geleden hun koffers moesten pakken.”

Dat ene zinnetje bleef de rest van de ochtend door mijn hoofd spoken. 

Want eigenlijk hebben wij allemaal wel eens een koffer ingepakt. Voor een vakantie. Voor een verhuizing of nieuwe baan. Maar stel je eens voor dat je je huis verlaat zonder te weten of je ooit nog terugkomt. Dat je niet alleen afscheid neemt van een straat of een stad, maar misschien wel van je geboorteland. Wat stop je dan in je koffer?

Na Tisja be’Av, de periode waarin het Joodse volk stilstaat bij verlies, verwoesting en herinnering, dacht ik ineens aan al die Sefardische families die eeuwen geleden voor deze keuze stonden. Niet omdat zij op reis wilden, maar omdat zij moesten vluchten. Vanuit Spanje. Vanuit Portugal. En later soms opnieuw vanuit andere landen. Hun koffers waren klein, maar de inhoud was vaak kostbaarder dan goud.

Ik vroeg Levie wat hij zou meenemen als hij toen had geleefd. Hij hoefde daar niet lang over na te denken.

“Mijn boeken,” antwoordde hij glimlachend.

Dat verbaasde mij niet. Maar de meeste mensen konden helemaal geen grote bibliotheek meenemen. Vaak verdween als eerste een kleine siddoer in de koffer, het gebedenboek waarmee al generaties lang werd gebeden. Daarnaast een zorgvuldig opgevouwen ketoeba, het huwelijkscontract van ouders of grootouders, omdat daarin de geschiedenis van de familie lag besloten. 

Wanneer er nog wat plaats overbleef, gingen zilveren sjabbatkandelaars, een kiddoesjbeker of een ander dierbaar erfstuk mee. Niet omdat het kostbaar was, maar omdat het thuis vertegenwoordigde.

“En de rest?” vroeg ik.

“Die zat niet in de koffer,” glimlachte Levie.

Ik keek hem vragend aan.

“Die zat in hun hoofd.”

Dat vond ik misschien wel het mooiste antwoord dat ik ooit had gehoord. Want hoe neem je een lied mee? Hoe pak je de geur van moeders keuken in? Hoe vervoer je de melodieën die iedere sjabbat in de synagoge werden gezongen? Hoe bewaar je de verhalen van je grootouders? En hoe stop je een taal als Ladino tussen een paar opgevouwen hemden?

Dat kan natuurlijk helemaal niet.

En toch deden die families het.

Ze namen hun herinneringen mee. Hun recepten. Hun gebruiken. Hun humor. Hun handelsgeest. Hun geloof. Hun nieuwsgierigheid en hun familieverhalen. Misschien wel het allerbelangrijkste dat zij meenamen, was de overtuiging dat je, waar je ook opnieuw begint, altijd weer een gemeenschap kunt opbouwen. Dat bleek later ook waar te zijn.

Onzichtbaar erfgoed

Zo ontstonden bloeiende Sefardische gemeenschappen in Amsterdam, Hamburg, Livorno, Londen, Curaçao, Suriname, Barbados, New York en nog veel meer plaatsen over de hele wereld. Iedere stad kreeg haar eigen karakter, maar overal reisde hetzelfde onzichtbare erfgoed mee. Niet in houten kisten of leren koffers, maar van ouders op kinderen, van grootouders op kleinkinderen, van chazaniem op hun leerlingen en van vertellers op luisteraars.

Ik keek opnieuw naar Levie. Soms denk ik dat hij stiekem liever in 1670 woont dan in 2026. Misschien is dat zijn grootste talent. Hij zoekt niet alleen naar oude documenten, hij probeert de mensen achter die documenten weer een gezicht te geven. Mensen die ooit leefden, hoopten, liefhadden, reisden en opnieuw begonnen.

Toen begreep ik ineens waarom geschiedenis zoveel meer is dan alleen jaartallen en oude gebouwen. Geschiedenis gaat uiteindelijk over mensen. Over moed, verlies, doorzettingsvermogen en hoop. Gebouwen kunnen verdwijnen, grenzen kunnen veranderen en landen kunnen vergaan. Maar verhalen, tradities en herinneringen reizen met mensen mee. Zolang wij ze blijven vertellen, gaan ze nooit verloren.

Ik liep naar het raam en keek nog één keer omhoog.

“Goede reis, Julian,” fluisterde ik zacht.

Daarna draaide ik me om naar Levie, die alweer verdiept was in zijn volgende ontdekking.

“Kom,” zei ik glimlachend. “Laten we samen nog veel meer koffers uitpakken.”

Want ik heb zo’n vermoeden dat er in de geschiedenis van de Sefardische diaspora nog duizenden verhalen verborgen liggen die alleen maar wachten om opnieuw verteld te worden.

Lilly la Paz, © auteur

Shalom, Goede vasten en Gezonde aanbijt,
Lilly la Paz 🐾


cover: Talma Joachimsthal

Over Levie Wagenhuis 9 Artikelen
Levie Wagenhuis is schrijver, restaurateur, voormalig modeontwerper en chroniqueur van de verdwijnende Sefardische wereld. In zijn meer dan 560 pagina’s tellende geïllustreerde trilogie Aan tafel bij de Casseres verweeft hij 2000 jaar diaspora, Amsterdamse geschiedenis, humor, muziek en recepten tot een filmisch familie-epos. Vanuit Amsterdam reconstrueert hij vergeten werelden tussen Toledo, Recife, Curaçao en de Portugese Synagoge — vaak samen met zijn scherpzinnige teckel Lilly la Paz.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*