Toli, één ding mogen jullie vromen nooit vergeten

mijn eigen weg #33  

Toli of Naftoli, jongeman met peijes en pet op tegen de achtergrond van Londen

10 oktober 2013

Ik doe mijn hoed af en tattie legt zijn handen op mijn hoofd. Met gesloten ogen prevelt hij de mij zo bekende woorden waar hij mij en m’n broertjes en zusjes iedere sjabbes mee bensjt, Jesiemecho Eloikiem, Moge G’d jou maken als Efraïm en Manasse.

Nog één keer omhelst hij me en fluistert in mijn oor ‘Naftoli, ik houd me aan mijn belofte. Ik blijf heel kritisch op het zionisme. Maar vergeet vooral niet dat jij je aan jouw belofte zult houden! Nooit vergeten wat wij aan zionisten te danken hebben.’ Ja tattie, ik zal m’n best doen.’

Net voordat tattie door de paspoortcontrole gaat, zwaait hij nog één keer. Ik loop naar buiten, naar de bushalte die mij terugbrengt naar Jeroesjalajim.

Heb ik het nu warm omdat het buiten nog steeds niet afgekoeld is? Of komt het door de spanning? Tot het laatste moment van deze week met tattie voelde ik de spanning of hij terug zou komen op wat hij mij allemaal vertelde, op de dag dat hij in het hotel kwam. Maar de hele week werd daar niet verder over gesproken. Alleen net bij het afscheid op Ben Gurion werd ik er nog even aan herinnerd dat ik nu wel mijn eigen weg mag gaan.  

Mijn eigen weg? Ik denk aan mijn chaweirim in Ma’ale Adumim, in hun witte shirts met hun witte keppels op hun hoofd. Betekent het dat ik met mijn belofte misschien ook die grote zwarte hoed en mijn kaftan aan de kapstok kan hangen? En ook mijn Jiddisj moet inruilen voor meer Ivriet? De hele weg in de bus maalt het in mijn hoofd. Dit is wel het laatste wat ik van tattie had verwacht. Misschien van mammie maar van tattie? 

Ik voel me ook wat schuldig dat ik tattie al deze jaren niet goed heb beoordeeld. Waarom heb ik nooit nagedacht over de vraag waarom tattie zo streng tegen mij is geweest? Ik ben nog wel jong maar denk dat ik het nu wel begrijp. Tattie zat eigenlijk ook gevangen tussen twee werelden. De wereld van zijn belofte, zich blijven verzetten tegen de domme ideeën van dat zionisme, en de wereld van dankbaarheid aan de mensen die zeiders leven hebben gered.

Ik neem spontaan mijn besluit. De hoed blijft op en de kaftan blijft aan. Ik ben nog steeds een chassidisch kleinkind van mijn zeider. Dat moet zo blijven. Ook tattie heeft dit verdiend door zo eerlijk en open tegen mij te zijn over zijn eigen probleem. 

Hoe dat er in de toekomst uit gaat zien?  Ik heb geen idee. De bus stopt in Jeroesjalajim pal voor het gebouw  van Koosjer Crawi waar ik mij morgen moet melden om me in te schrijven voor die jongerentraining om op een zeker moment het leger in te gaan. Want dat besluit staat voor mij vast. Ik kan maar niet vergeten hoe ik met de oude Berel over de begraafplaats liep in Arad. Wat zei hij daar ook alweer? 

“Eén ding mogen jullie vromen nooit vergeten. Wij hebben onze kinderen en kleinkinderen, als soldaten, opgeofferd. En dat doen we nog steeds. Maar jullie kennen geen grafstenen van jonge soldaten die voor ons land hebben gevochten. Een land waar jij nu ook mag wonen. Naftoli, vergeet dat niet. Ik respecteer jullie. Ik vraag je vanwege mijn kleinzoon van wie je net het graf hebt gezien, en van al die andere soldaten die niet alleen hier liggen maar ook op honderden andere plekken, toon je respect voor hen.”

Na dat bezoek had ik me al voorgenomen om dit wanneer ik oud genoeg ben een beetje goed te gaan maken. 

Ik kan mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Ik spring de bus uit en loop door de voordeur het grote gebouw binnen. Vanuit de hal kijk ik uit op een binnenplaats. Ik tel daar zo’n twintig jongens van mijn leeftijd. Het zijn nog geen soldaten, ze dragen ook geen uniformen. Ze staan in een halve cirkel opgesteld. Hun rechterhand wijst naar de zijkant van hun hoofd. Dat noemen ze geloof ik salueren. Dat woord heb ik van Chagai geleerd. 

Een vlag wordt langzaam omhoog gehesen. Het is de blauwwitte vlag waar tattie altijd over zei dat hij daar zo’n hekel aan heeft. Het is de vlag die thuis in Stamford Hill in de club aan de muur hangt. En het is de vlag die mij nog maar een paar maanden geleden tegenhield om vanaf het grote plein door te lopen tot aan de Koisel.  

Ik hoor muziek. De wijs ken ik al heel lang. Ook uit Stamford Hill. Hoe heette die man ook alweer in het park, met zijn lange haar en zijn hoge laarzen? Ja, ik weet het weer, Oliver. Hij speelde op zijn gitaar voor mij deze melodie. Nu weet ik dat dit het Hatikwa heet. Het volkslied. Tattie noemde dat gojse muziek, slecht voor de nesjomme.

Is dit de plek waar ik ook terecht ga komen? De meeste jongens dragen niets op hun hoofd, niet eens een keppel. Niet eens zo’n klein keppeltje. En daar kom ik tussen te staan met mijn grote hoed?  Zou tattie dit ook bedoeld hebben met mijn belofte? 

Ik loop maar weer naar buiten. Morgen ga ik me eerst inschrijven voor de cursus. En dan zien we wel hoe dit verder gaat. Misschien toch ook maar eens overleggen met Chagai.

Bensjt: zegent


cover: ©auteur

Over Lody van de Kamp 130 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*