Lilly kwam mijn studeerkamer binnen alsof ze zojuist door koning Willem-Alexander tot minister van Hondenzaken was benoemd.
Ze droeg een opvallend regenboogstrikje, haar vertrouwde blauwe keppeltje
en een blik die weinig ruimte liet voor discussie.
“Levie,” zei ze plechtig, “ik heb besloten maatschappelijk actief te
worden. Ik ben lid geworden van de GJRTRT+-beweging.”
Ik zette mijn leesbril af. “Lilly, ik ben bijna vijfenzeventig. Ik kan de
afstandsbediening amper onthouden. Moet ik nu ook nog een alfabet van
zesentwintig letters uit mijn hoofd leren?”
Ze glimlachte. “Welnee. GJRTRT+ staat voor de Gecastreerde Joodse Ruwharige Teckel Reutjes en Teefjes Plus.”
“Dat is geen afkorting,” antwoordde ik. “Dat is een gemiddelde wachtlijst
bij de gemeente Amsterdam.”
“Dat plusje,” vervolgde ze onverstoorbaar, “is voor honden die zich niet
in één hondenmandje laten stoppen. En binnenkort varen wij mee
tijdens de Amsterdam Pride. Ook honden hebben recht op een afkorting
die niemand begrijpt.”
Ik verslikte mij bijna in mijn koffie. “Lilly, jullie slaan toch een beetje door.
Toen ik jong was hadden we helemaal geen letters nodig om elkaar te
begrijpen.”
Mijn vader had in de jaren zestig een van de bekendste homobars van
Amsterdam: de Mac Donald Club in de Reguliersdwarsstraat. Voor mij
was dat geen bijzondere wereld, maar gewoon thuis. Ik zag mensen
lachen, zingen, dansen en verliefd worden. Niemand hoefde mij uit te
leggen dat liefde soms anders liep dan mensen verwachtten.
Ik dacht ook weer aan de Fifty-Fifty Club. Daar liep werkelijk iedereen
door elkaar: homo’s, hetero’s, kunstenaars, studenten, havenarbeiders,
toeristen en zakenmensen.
Niemand vroeg wie je was voordat je samen een drankje dronk. Misschien was dat wel de meest gewone vorm van
vrijheid die ik ooit had gezien.
Lilly luisterde aandachtig, sprong naast mij op de bank en legde haar kop
op mijn knie.
“Dat geloof ik meteen,” zei ze. “Maar jij zag alleen de mensen die de
moed hadden om die deur binnen te lopen. Heb je ooit gedacht aan
degenen die buiten bleven? Aan mensen die bang waren ontdekt te
worden?”
Die vraag kwam onverwacht binnen.
Voor mij hoorde de Mac Donald Club gewoon bij mijn jeugd. Ik had
eigenlijk nooit stilgestaan bij de mensen die nooit kwamen. Misschien
durfden ze niet. Misschien dachten ze dat ze nergens welkom waren.
Lilly keek me ernstig aan.
“Stel je een jongen voor die iedere zondag dezelfde vraag krijgt:
‘wanneer neem je eindelijk een leuk meisje mee naar huis’? Hij glimlacht, verzint een smoes en liegt nog een week verder. Uiteindelijk trouwt hij met een vrouw die werkelijk van hem houdt. Zij begrijpt alleen nooit waarom haar man haar vriendelijk kust, maar nooit echt bemint.”
Lilly zweeg even.
“En als hij zegt dat hij moet overwerken, rijdt hij misschien niet naar
kantoor maar naar een café of een parkeerplaats. Niet omdat hij iemand
wil bedriegen, maar omdat hij jarenlang heeft geleerd zichzelf te
verbergen. Uiteindelijk verliest iedereen.”
Ik zei niets.
De vrolijke avonden in de Mac Donald Club waren echt geweest. Maar
misschien waren ze juist zo bijzonder omdat mensen daar eindelijk even
niet hoefden te liegen.
“Een veilige plek,” zei Lilly zacht, “is nog geen vrije samenleving.
Daarom bestaat Pride nog steeds. Niet omdat mensen zo graag nieuwe
letters bedenken, maar omdat zij hopen dat veilige eilandjes ooit niet
meer nodig zijn.”
Daar had ik geen antwoord op.
Toen keek ze mij ondeugend aan.
“Weet je wat ik zo grappig vind? Jij schrijft al je hele leven over mensen
die zich moesten verbergen. Sefardische Joden die hun geloof alleen
achter gesloten deuren konden beleven. Families die hun naam
veranderden om te overleven. Waarom vind je het dan vreemd dat
anderen hun liefde verborgen hielden?”
Ze had me klem.
Ik dacht aan Sous l’Horloge de la Gare de Lyon. Daar ontmoeten Moshe
en Henri elkaar tijdens de oorlog. Twee Joodse mannen die
niet alleen hun afkomst, maar misschien ook hun liefde moesten verbergen.
“En vergeet El Manco niet,” vervolgde Lilly. “Daar beschrijf je de stille
liefde tussen El Manco en Abraham de Casseres. Geen schreeuwerige
romance, maar twee mensen die leefden in een tijd waarin zulke
gevoelens nauwelijks mochten bestaan.”
Ik knikte.
Ineens zag ik de rode draad door mijn eigen boeken.
Blijkbaar schreef ik nooit alleen over Joodse geschiedenis, slavernij of
oorlog. Ik schreef steeds opnieuw over mensen die een deel van zichzelf
verborgen hielden omdat hun tijd daar nog niet klaar voor was.
Lilly glimlachte tevreden.
“Daarom moet je ook niet te hard lachen om al die letters. Natuurlijk
wordt het soms komisch. Zelfs ik raak de tel kwijt. Daarom heb ik juist die
GJRTRT+-beweging bedacht. Maar achter al die letters zit
uiteindelijk hetzelfde verlangen: gewoon jezelf mogen zijn.”
“En hoe ziet jullie boot eruit?” vroeg ik.
Ze begon enthousiast te kwispelen.
“Ruwharige teckels overal. Sommigen met een keppeltje, anderen met
een regenboogstrik. Eén loopt in een glitterjasje omdat hij denkt dat hij
John Travolta is. Oude honden, jonge honden, verlegen honden, drukke
honden. Niet omdat we hetzelfde zijn, maar juist omdat we allemaal
verschillend zijn.”
cover: Talma Joachimsthal
Geef als eerste een reactie