Als silhouetten achter een sluier

hertaling Genesis/Bereshiet 1:24

schilderij met hebreeuwse letters op opengeslagen Tora - fragment uit werk van Marc Chagall

Genesis/ Bereshiet  1:24

Klassieke vertaling: En God zei: ‘Laat de aarde voortbrengen bezield gedierte, ieder naar zijn soort, vee, kruipend en wild gedierte van de aarde, elk naar zijn soort. En het was zo.

Hertaling

Elohiem zei: de aarde zal tevoorschijn brengen schepsel naar haar soort: herbivoor en het kruipende en carnivoor naar haar soort. En liet het zo zijn.

Wanneer het land zijn verborgen leven begint te tonen

Voor de tweede keer klinkt een aankondiging zoals eerder bij de zeeën:

‘De aarde zal tevoorschijn brengen.’ Een blauwdruk van wat komen gaat.
Een beeld dat Elohiem ziet nog voordat het zich op aarde toont.

Voor Elohiem zijn deze wezens er al, maar voor de aarde ligt hun verschijning nog in de toekomst –
als silhouetten achter een sluier.

Welke aarde wordt bedoeld?

Opmerkelijk genoeg spreekt de tekst hier nog niet over een ‘vruchtbare aarde’.
En dat is logisch:
Er is nog geen regen gevallen, geen rivierstelsel gevormd,
geen cirkel van stroming die het land tot volle vruchtbaarheid brengt.

Daarom verwijst ‘de aarde’ hier naar het land als geheel,
zoals bij de schepping van de aarde zelf: de onbewerkte, ruwe massa
waaruit later flora en fauna zullen groeien.

Niet de tuin, maar het terrein.

Tevoorschijn brengen een vermogen dat al in de aarde lag

Met deze woorden onthult de tekst iets dat ver terugreikt:

de aarde droeg al – nog voor de watermassa haar bedekte –
de basiselementen in zich waaruit leven kon ontstaan.

Tijdens de oerknal lag het vermogen tot flora en fauna al besloten in haar fundament.

Wat de aarde zal voortbrengen, is dus geen verrassing, maar een ontvouwing
van wat altijd al aanwezig was.

De tevoorschijn-brenging is de eerste beweging richting herkenbare vormen,
richting de dieren zoals wij ze vandaag kennen.

Herbivore, kruipende, carnivore wezens

De traditionele vertaling ‘vee’ past hier niet:
gedomesticeerde dieren bestonden niet–
zij zijn een resultaat van de mens.

In het begin waren alle dieren wild.
Maar ‘wilde dieren’ roept bij ons vooral roofdieren op,
terwijl deze groep vooral uit planteneters bestond.

Daarom past de term herbivoor het beste:
de dieren die leven van gras, bladeren, vruchten
– het eerste voedsel dat de aarde ooit voortbracht.

Daarna worden de kruipende wezens genoemd:
dieren die zich voeden met wat zij maar vinden kunnen–
insecten, amfibieën, vissen en soms zelfs vogels.

En tenslotte de carnivoor: de vleeseter, die pas kan bestaan
wanneer er voldoende ander leven aanwezig is om hem te voeden.

De volgorde is logisch, als een echo van het ritme van de schepping zelf:

eerst plant, dan herbivoor, daarna al het kruipende,
en uiteindelijk de carnivoor die afhankelijk is van alles wat eraan voorafging.

Een vloeiende visualisatie maar nog geen werkelijkheid 

Deze aankondiging is een voortzetting van het grote proces dat Elohiem stap voor stap ontvouwt.

Toch zal blijken dat de daadwerkelijke volgorde waarin deze dieren werkelijk ontstaan straks anders wordt beschreven.
Dit is nog de visualisatie: de blauwdruk van wat komen gaat.

Het land bereidt zich voor, de schepping houdt adem in – en dan:

Vastgesteld, vaststaand en goed

En dan volgt de afronding: dezelfde formule die elke scheppingsstap bekrachtigt.

Vastgesteld – de beslissing is genomen.
Vaststaand – het kan niet meer worden teruggedraaid.
Goed – de grondtoon die geen grens kent, die niet wijst op oordeel, maar op harmonie.

Grammaticale en tekstuele analyse 

totsee ha’arèts  (תוצא הארץ)
‘de aarde zal tevoorschijn brengen’

Het werkwoord totsee staat in de veroorzakende hif‘il- vorm van jatsa, de derde persoon vrouwelijk enkelvoud, in de toekomende tijd. Deze vorm maakt duidelijk dat de aarde niet passief is, maar actief tevoorschijn doet komen, dat wil zeggen: tevoorschijn brengt wat al in haar aanwezig is. Daarmee wordt grammaticaal bevestigd dat het vermogen tot leven in de aarde zelf lag besloten, nog voordat zij door water werd bedekt (vgl. 1:2).

Jatsa (jod-tsade-alef) betekent ‘vertrekken’ of ‘naar buiten gaan’; in de hif’il-vorm krijgt het de betekenis ‘naar buiten doen komen’.

Dat hier ha’arèts wordt gebruikt en niet haadamah, onderstreept dat het nog niet gaat om vruchtbare grond, maar om het land als geheel, zoals ook in 1:1 bij de schepping van ‘de waterelementen daarginds en de aarde’.

nèfèsj chajah lemienah    (נפש חיה למינה)    
‘schepsel overeenkomstig haar aard’

Lemienah verwijst grammaticaal naar de aarde, die in het Hebreeuws vrouwelijk is. Daarmee wordt aangegeven dat het schepsel niet los van zijn omgeving ontstaat, maar wordt voortgebracht overeenkomstig de aard van de aarde zelf.

Omdat de aarde niet overal hetzelfde is, maar uit verschillende gebieden bestaat, verschijnt het leven plaatsgebonden en gedifferentieerd. Dit hangt samen met de diversiteit die eerder ontstaat door het uiteengaan en begrenzen van de zeeën.

beheema wa’rèmès we’chajto-èrèts lemienah  (בהמה ורמש וחיתו-ארץ למינה)
herbivoor, en het kruipende, en carnivoor, overeenkomstig haar aard’

Het woord beheima, traditioneel vertaald als ‘vee’, komt hier voor het eerst voor in de Torah. Omdat gedomesticeerde dieren ten tijde van de schepping nog niet bestonden, kan dit woord niet in die betekenis worden gelezen. Het duidt veeleer op landzoogdieren die zich hoofdzakelijk met plantaardig voedsel voeden, met name herkauwende zoogdieren.

In moderne indelingen vallen sommige dieren die later onder ‘vee’ worden gerekend daar slechts gedeeltelijk onder, wat laat zien dat de bijbelse categorie niet samenvalt met latere of biologische classificaties.

Remes betekent hier het kruipende gedierte. In tegenstelling tot 1:21 kan het hier niet worden opgevat als ‘het zich bewegende’, omdat de andere genoemde dieren zich eveneens bewegen. De term verwijst naar dieren die zich laag bij de grond bewegen en zich voeden met wat zij daar aantreffen.

Chajto-erets is een bijzondere constructie. In plaats van de verwachte vorm chajat ha’arets wordt hier een oude, vrouwelijke, collectieve vorm gebruikt, die vooral voorkomt in oudere taalstadia en in de Pentateuch (vgl. Gesenius’ Hebrew Grammar). Deze groep wordt doorgaans vertaald als ‘wilde dieren’, maar kan hier het best worden begrepen als vleesetende roofdieren: carnivoren. 

De volgorde – herbivoor, kruipend dier, carnivoor – is tekstueel logisch. De herbivoor leeft van planten en vruchten, het eerste beschikbare voedsel. Kruipende dieren voeden zich met uiteenlopende vormen van leven die daarna verschijnen. De carnivoor kan pas bestaan wanneer er voldoende ander leven is om als voedsel te dienen. 

Hoewel lemienah in beide gevallen grammaticaal naar de aarde verwijst, krijgt het bij de tweede plaatsing een andere functie. Niet opnieuw de aarde als bron staat dan centraal, maar de ordening waarin het leven dat zij voortbrengt verschijnt.

Wajehie-cheen (ויהי-כן)
‘En liet het zo zijn’

Deze afsluitende formule bekrachtigt de aankondiging. Wat is uitgesproken, staat vast en wordt niet herroepen (vgl. 1:3). De beslissing is genomen; de uitvoering zal volgen.


Zie de andere delen van deze serie Hertaling van het eerste hoofdstuk van Bereshiet:

De Torah opent als een filmshot na de Oerknal Genesis / Bereshiet 1:1
Daar is water Genesis / Bereshiet 1:1-10
Onheil ligt op de loer Genesis / Bereshiet 2:9
Jij bent niet buiten Elohiem Genesis / Bereshiet 1:2
Energie wacht om richting te krijgen Genesis / Bereshiet 1:3
Wanneer onderscheid orde schept Genesis / Bereshiet 1:4
Slotakkoord van jom één Genesis / Bereshiet 1:5
Elohiem richt de blik Genesis / Bereshiet 1:6
Er komt ruimte voor adem Genesis / Bereshiet 1:7
Het uitspansel dat we dampkring zijn gaan noemen Genesis / Bereshiet 1:8
Het water wijkt Genesis / Bereshiet 1:9
Het land verschijnt, het water verandert Genesis / Bereshiet 1:10
Uitnodiging aan de aarde zelf Genesis / Bereshiet 1:11
Zaad dat terugkeert naar de aarde Genesis / Bereshiet 1:12
(red.: 1:13 ontbreekt op verzoek auteur)
Letters ontbreken, inzicht ontstaat Genesis / Bereshiet 1:14
Waarneembaar licht dat de aarde bereikt Genesis / Bereshiet 1:15
De zon wordt actief Genesis / Bereshiet 1:16
Door de dampkring heen Genesis/ Bereshiet  1:17
Dag en nacht ons kompas Genesis/ Bereshiet  1:18
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:19 ontbreekt op verzoek auteur)
Vinnen worden vleugels Genesis/ Bereshiet  1:20
Soorten zeeën, soorten leven Genesis/ Bereshiet  1:21
Elohiem zegende hen: een stille, krachtige overdracht van energie en gevoel Genesis/ Bereshiet  1:22
(red.: Genesis/ Bereshiet 1:23 ontbreekt op verzoek auteur)


cover: fragment uit schilderij van Marc Chagall; foto Bloom, 2024

Over Simon Cohen 25 Artikelen
Simon A. Cohen, Rotterdam(1948) was ondernemer en vermogensbeheerder. Winnaar Rotterdamse Ondernemersprijs 2003. Lid NIK en het Verbond Liberale Jodendom. Voormalig voorzitter: NIG Rotterdam; Convent der Kerken en Synagogen; Landelijke Dialoogcommissie Verbond; OJCM; Coalitie ter voorkoming spanningen in stad. Actieleider toneeluitvoering Fassbinder ‘Het vuil, de stad en de dood,’ 1987. Studeerde aan het Nederlands Israëlitisch Seminarium klassiek Hebreeuws en filosofische achtergronden Jodendom.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*