Reactie op Advies verweesde Joodse roofkunst uit de NK-collectie van Commissie Asscher
Enige jaren geleden belde een archeoloog mij. Hij had bij het vernietigingskamp Sobibor in Polen een e-mailbordje opgegraven met daarop een etiketje met de nog net leesbare naam van mijn grootmoeder Sara Mock.
De archeoloog wilde mij het bordje geven. Ik heb dat geweigerd, stelde daar geen prijs op vanuit de gedachte dat een dergelijk bordje en andere ‘praktische hulpzaken’ waarmee joden werden gedeporteerd voor mij alleen een macabere betekenis hebben.
Het was al duidelijk dat mijn oma en opa Sara en Maurits Mock in Sobibor waren vermoord. Het bordje bevindt zich nu in een Pools oorlogsmuseum. Natuurlijk gaat ’t hier niet om kunst, wel om een mogelijke herinnering. Duidelijk niet de herinnering die ik wens te koesteren al rest er vrijwel niets uit de woning van mijn destijds in Den Haag wonende grootouders.
Grootvader Maurits was voorzitter van de Haagse Bond van Marktkooplieden Vrede door Recht, doch kunstbezit was er niet.
Bij de verweesde kunst gaat het volgens de Commissie Asscher doorgaans om herinneringen. Uitgangspunt voor de commissie is om alle mogelijke herinneringen van de ruim drieduizend objecten te beschermen die tot verweesde kunst in de NK-collectie worden gerekend. Zij mogen volgens het advies (voortaan: het Advies) niet worden verkocht vanwege de emotionele waarde. Daarover verder hierna.
Korte ontstaansgeschiedenis
Er werden tienduizenden kunstobjecten tijdens de Tweede Wereldoorlog van joden in Nederland geroofd en geconfisqueerd. Deze duizenden objecten werden door de geallieerden na de oorlog veelal in Duitsland teruggevonden en vervolgens door de geallieerden naar de landen teruggestuurd waaruit deze objecten afkomstig waren.
Voor Nederland werden de gerepatrieerde objecten ondergebracht in de daartoe opgerichte Nederlands Kunstbezit-collectie of kortweg NK-collectie.
De collectie omvat een variëteit aan kunstobjecten zoals schilderijen, servies, meubels, siervoorwerpen en tapijten. De NK-collectie staat inmiddels ruim tachtig jaar onder beheer van de Staat der Nederlanden. Thans betekent dat, dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de scepter zwaait over de collectie. RCE is onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).
Zonder betrokkenheid Joodse gemeenschap
Een eerste deel van de collectie is in de jaren vijftig teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren. Een tweede deel van de NK-collectie is vervolgens, zonder betrokkenheid van de Joodse gemeenschap, in die jaren verkocht of in bruikleen gegeven aan musea of hangt bij ambassades of in andere in rijksgebouwen.
Zo liet Tweede Kamer voorzitter Vera Bergkamp enkele jaren geleden een zeegezicht van Hendrik Mesdag getiteld Vissersboten voor de kust vanwege de afkomst als roofkunst uit haar werkkamer verwijderen. Naar verluidt had het schilderij decennialang op de kamer van de voorzitter van de Tweede Kamer gehangen.
Volgens het Advies zijn ruim duizend kunstobjecten in bruikleen gegeven uit de NK-collectie, waarschijnlijk niet de minsten want deze werken bevinden zich onder meer in het Rijksmuseum, het Mauritshuis en het Bonnefanten Museum.
Over een beperkt deel van de NK-collectie hebben restitutieverzoeken plaatsgevonden (of lopen deze nog steeds) en zijn de vorderingen van rechthebbenden toegekend. Het resterende deel van de NK-collectie wordt als verweesde kunst beschouwd. Immers niet is vastgesteld wie de eigenaar is van de betreffende objecten. Dat heeft derhalve ook betrekking op objecten in bruikleen bij musea en rijksgebouwen.
Mogelijke erfgenamen van de meer dan honderdduizend vermoorde Nederlandse joden rechtvaardigen op morele gronden voortgaand herkomstonderzoek. Het grote tijdsverloop en de beperkte herkomst informatie beperken ondanks toegenomen digitale onderzoeksmethoden echter de kans op resultaat.
Het onderzoek betreft enerzijds de herkomst van de betreffende objecten en anderzijds familierechtelijk onderzoek naar rechthebbenden, waarbij vererving en bijzondere relaties complicerende factoren vormen. Daarbij blijkt ook dat de Nederlandse overheid veel tijd heeft verloren laten gaan, ook al waren mogelijk andere prioriteiten aan de orde.
Zo vermeldt het Advies openhartig ‘Tussen de jaren ’50 en de late jaren ’90 lag de zoektocht naar de bekende en rechtmatige eigenaren van deze collectie grotendeels stil.’
Washington Principles
Pas vanaf 1995 vond ook in Nederland onderzoek plaats naar nazi-roofkunst waarbij de Staat zich niet meer op verjaring zou beroepen. In 1998 resulteerde een internationale conferentie in de Washington Principles (later aangevuld), die door 44 landen werden aanvaard en uitgangspunt vormen voor omgang met en teruggave van nazi-roofkunst.
Dit leidde tot het instellen van de Restitutiecommissie in 2001. De diverse adviescommissies van de overheid die in de loop der jaren adviseerden over restitutie laat ik hier buiten beschouwing.
Belangrijke en verfrissende impuls vormde de evaluatie ‘Streven naar rechtvaardigheid’ in 2020 onder leiding van oud-staatssecretaris Jacob Kohnstamm. Deze evaluatie leidde tot aanpassing van het beleid van de Restitutiecommissie en gaf tevens aanleiding om het herkomstonderzoek te hervatten.
Commissie Asscher
Herkomstonderzoek blijkt evenwel steeds een zorgenkind. Uit het advies van de commissie Asscher blijkt niet van hoeveel zaken meer recent de herkomst is vastgesteld.
Het Advies vermeldt nogal ambtelijk: ‘Voor de intensivering van het herkomstonderzoek (…) zijn er in de loop van vier jaar 13 onderzoekers en twee ondersteuners opgeleid in het doen van herkomstonderzoek. Het onderzoek wordt eind 2025 afgerond en heeft geleid tot succesvolle restituties.’ (pag. 25)
en: ‘(…) Het onderzoek naar de NK-collectie zal de komende twee jaren 2026 en 2027 worden voortgezet’ (pag. 48).
Is de Joodse gemeenschap geholpen met het Advies?
Het is wezenlijk om vast te kunnen stellen of de Joodse gemeenschap met het Advies daadwerkelijk is geholpen of daarmee recht kan worden gedaan aan de kunstvoorwerpen waarvan geen eigenaar of rechthebbende bekend is. Het beeld is gemengd. Kern van het Advies is – in navolging van eerdere uitspraken van de minister van OCW – de ruim drieduizend NK-objecten blijvend te laten beheren door de Joodse gemeenschap, bij voorkeur het Joods Museum en daartoe een aparte stichting op te richten. Dat is gemotiveerd op grond van duidelijk morele overwegingen.
Tegelijkertijd zijn een groot aantal beperkingen of randvoorwaarden geformuleerd en daarnaast blijven diverse vragen onbeantwoord. Eisen zijn geformuleerd voor mogelijk (vervolg)onderzoek, toegankelijkheid, restitutieverzoeken moeten mogelijk blijven, verkoop is uitgesloten, beperkte zeggenschap van de Joodse gemeenschap (voogdijschap om de collectie te laten opbloeien) en fysieke zorg blijft bij RCE, toepasselijkheid van de Erfgoedwet en aanbevelingen voor bestuurlijke invulling van de op te richten stichting.
Is dat wantrouwen over verweesde kunst die in wezen al aan de Joodse gemeenschap toebehoort?
wordt vervolgd
cover: fragment Vissersboten voor de kust van Hendrik Willem Mesdag, nazi-roofkunst
Geef als eerste een reactie