Naftoli, heb je nog even vijf minuten? 

mijn eigen weg # 23

Toli of Naftoli, jongeman met peijes en pet op tegen de achtergrond van Londen

17 maart 2013

Deze week stuur ik een verjaardagskaart naar Chayele mee met de wekelijkse brief naar huis. Mijn zusje wordt negen jaar. Tattie zal het wel niet zo’n goed idee vinden dat ik haar probeer blij te maken door aan haar verjaardag te denken. 

“Verjaardagen vieren is niet iets wat bij ons hoort. In de Toire wordt maar één keer gesproken over een jarige. En dat was die boosaardige Farao in Egypte die de Bne Jisroeil onderdrukte.” Dat kreeg ik vorig jaar te horen toen ik voor Chayele een verjaardagscadeautje wilde kopen. Misschien geeft mammie de kaart aan Chayele, voordat tattie mijn brief te lezen krijgt.

Vreemd eigenlijk dat ik wel precies weet wanneer Chayele weer een jaartje ouder wordt maar dat niet weet van Reizele, Sorele en de tweeling.

Hoe zou het toch komen dat ik alleen alles over Chayele weet? Misschien omdat ik me haar geboorte nog goed kan herinneren. Ik weet nog dat mammie met haar thuis kwam. Van de tweeling weet ik dat ze ergens in de winter zijn geboren, maar toen was ik misschien niet meer zo geïnteresseerd in nieuwe baby’s.

Vetter Eli en mimme Feigel wonen aan de rand van de stad Arad. Mimme Feigel is mammie’s zus. Al vanaf het eerste moment dat ik in Jeroesjalajiem in de jesjiewe kwam, vroegen ze of ik gauw een keer over sjabbos wilde komen. Ik vond dat best een goed idee, maar ik kreeg geen toestemming. Nieuwe bochrim moeten de eerste drie maanden binnen blijven. Daarna mogen zij pas over sjabbes een keer naar familie die buiten de stad woont. Maar nu is het dan zover. 

Sjabbes was fijn. Op vrijdagavond aan tafel was het een beetje als thuis. Ik moest natuurlijk alles over Stamford Hill vertellen. En over de broertjes en zusjes. Vetter Eli en mimme Feigel hebben geen kinderen meer thuis. De meesten zijn getrouwd. De jongere kinderen brengen hun tijd door in verschillende jesjiewes. Ik kan mij herinneren dat mimme Feigel één keer bij ons heeft gelogeerd, maar dat is al lang geleden.

De sjabbes hier ging zo snel, vanmiddag moet ik alweer de bus nemen om op tijd terug te zijn in Jeroesjalajim.

Ik verkende nog een uurtje de buurt. In de verte kijk ik uit op de bergen. Vetter Eli vertelde dat die bergen aan de andere kant van de Dode Zee liggen. Een stoffig paadje leidt me langs wat kleine huisjes. Een oudere man besproeit de struiken in zijn voortuin. Hij is niet vroom. Hij draagt niet eens keppel. Maar hij groet mij wel, in het Ivriet. 

‘Goedemorgen, een vreemd gezicht hier. Jij woont hier niet?’ Met mijn Ivriet ben ik onderhand al zo gevorderd dat ik de man begrijp. Ik antwoord hem in het Jiddisj. En in die taal gaat ons gesprek ook verder. ‘Jij bent chareidi, een vrome. Tenminste aan je kaftan en je hoed te oordelen. Niet dat dat erg is hoor. Mijn Elterzeide was dat ook nog’. Ik knik maar een beetje. 

‘Hoe heet je?’ ‘Mijn naam is Naftoli Horowitz. Hoe heet u?’ De man draait de waterkraan dicht. ‘Mijn moeder heeft me Berel genoemd’. Ik moet hem nog vertellen waar ik vandaan kom en wie mijn familie hier in Arad is. 

‘Naftoli, zoals je ziet doe ik eigenlijk nergens meer aan. Wij leven nu in een andere tijd en in een ander land dan jouw ouders en jouw grootouders. Wij hebben een eigen land waar heel andere zaken aan de orde zijn dan de hele dag over de Joodse boeken gebogen zitten. Om hier te kunnen wonen is een belofte van de Eiberste, zoals jij Hem waarschijnlijk noemt, niet meer voldoende. Hier hebben wij een leger nodig. Een heel sterk leger! Maar jullie doen daar niets voor.’ 

Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Een hele discussie beginnen over zionisme en wat de Satmar Rebbe daarover zegt, daar heb ik geen zin in. Ik ken de man niet eens. 

‘Weet je Naftoli, ik ben best blij dat wij hier in het land Chareidim hebben. Dat houdt ergens de band met onze geschiedenis in stand. En het geeft een beetje geestelijk voedsel aan die hele lege samenleving om ons heen. Mijn eigen kinderen weten niet eens meer wat jodendom is. En wat nog veel erger is, daar is ook niets voor in de plaats gekomen. Alleen maar geestelijke leegheid en armoede.’ 

Ik probeer een beetje te begrijpen waar Berel met zijn gesprek heen wil. ‘Daarom ben ik ook echt wel blij dat jullie in ieder geval nog zo stug het geloof blijven volhouden.’ Berel zwijgt eventjes. Zou hij nog meer gaan vertellen? Of zal ik maar gewoon groeten en doorlopen?

‘Naftoli, ik probeer jullie nog steeds te begrijpen. En ook te respecteren. Maar ik vind het zo jammer dat jullie helemaal geen moeite doen om ons, niet-vromen, ook een beetje te begrijpen.’ Ik kijk Berel vragend aan. Wat zou hij bedoelen? Niet-vromen die hoef je toch helemaal niet te snappen? Die luisteren gewoon niet naar wat de Toiro ons vertelt. 

‘Naftoli, heb je nog even vijf minuten? Ik wil je iets laten zien. Hopelijk zul je dan ook een beetje meer van mijn verhaal begrijpen.’ ‘Ja hoor, ik heb nog wel even tijd.’ 

Samen lopen we het paadje af. Aan het einde komen we bij een hek. ‘Hier ligt mijn verhaal.’ Berel haalt een sleutel uit zijn broekzak en draait het slot van het hek open. Samen lopen we een eindje het pad op dat achter het hek tussen de struiken verder door loopt.


Bne Jisroeil Het Joodse Volk
Vetter Oom
MimmeTante
Bochrim Talmoed studenten
Chareidi Vrome


cover illustratie © auteur

Over Lody van de Kamp 120 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*