Het begrip ‘Joods-christelijke traditie’ is in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog met oprecht goede bedoelingen omkranst.
Het staat voor veelsoortige ontmoetingen tussen Joden en christenen, vooral in zogeheten ‘leerhuizen’, in een poging elkaar na eeuwen Jodenvervolging en discriminatie beter te leren kennen. Daarbij ging (en gaat) het vooral om de kennismaking met de door christenen vergeten Joodse wortels van het christendom en om het zoeken naar wat de beide tradities gemeenschappelijk hebben.
Er is een ‘Stichting Joods-ChristeIijke dialoog’ ontstaan vanuit de werkgroepen ‘Kerk en Israël’ van de Protestantse Kerken. En een ‘Katholieke Raad voor het Jodendom’. Op de website daarvan staat deze quote van de Duitse rabbijn Joshua Ahrens, uit 2024:
“We leven werkelijk in historische tijden: nooit eerder zijn Joden en christenen zo dicht bij elkaar geweest als nu, nooit eerder hebben ze nauwer samengewerkt en nooit eerder is er een grotere kans geweest om samen te werken, in partnerschap, als broers en zussen in de wereld, geloof in de ene God, de wereld ‘om er een betere plek van te maken’. Tegelijkertijd is het dialoogwerk echter ‘niet voorbij’, maar ‘nog maar net begonnen’, omdat er sprake is van een generatiewisseling bij de dialoogpartners.”
De grote vraag bij deze nogal optimistische stelling is wie er met wie samenwerkt en dialogiseert. Het gaat daarbij doorgaans om een zeer beperkte groep religieus geëngageerde leken, rabbijnen en theologen, niet om een breed gevoerde dialoog aan de basis, in parochies en gemeenten. Die generatie raakt steeds meer uitgedund en van een generatiewisseling is vooralsnog geen sprake.
Humane gevoeligheid
Volgens de Joodse geleerde David Flusser (1917-2000) ontstond er enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling, getuige schrijvers als Ben Sira (Jezus Sirach) en in andere wijsheidsboeken, iets wat hij ‘een nieuwe humane gevoeligheid’ noemt.
Of die ‘humane gevoeligheid’ wel zo nieuw was of een opleving was van het oude profetische pathos van gerechtigheid, is de vraag. Maar volgens Flusser was Jezus in onze eerste eeuw, naast beroemde Joodse leraren als Hillel en diens kleinzoon Gamaliël, een belangrijke vertegenwoordiger van die ‘gevoeligheid’.
De beweging die zij ontketenden speelde zich af binnen het toenmalige, veelkleurige Jodendom. Van ‘het’ Jodendom als een min of meer uniforme religie is dan nog geen sprake en al helemaal niet van het ‘christendom’. Wat wel het ‘oerchristendom’ wordt genoemd – ook al een problematische term – lag toen nog geheel in zijn Joodse luiers. Volgens vooraanstaande godsdiensthistorici profileert het christendom zich pas in de loop van de derde eeuw als zelfstandige religie naast en tegenover het Jodendom, als het zijn luiers volledig is ontgroeid en zijn afkomst als beweging binnen het Jodendom steeds meer heeft verdrongen en verraden.
Onbruikbaar?
Inmiddels is het begrip ‘Joods-christelijk’ behoorlijk sleets. Het wordt steeds vaker ontdaan van zijn oprechte mantel der liefde en misbruikt als wapen tegen alles waar die traditie voor zou moeten staan, kortweg: ‘humane gevoeligheid’.
Het staat door velen nog altijd voor de bedoeling om recht te doen aan die afkomst. Maar beide delen daarvan zijn in de loop der geschiedenis dusdanig onscherp, algemeen en meerduidig geworden dat voortdurend moet worden toegelicht, aangescherpt, gepreciseerd wat men ermee bedoelt en over welk Jodendom en welk christendom het gaat. En dat gebeurt zelden of nooit.
Daardoor wordt de term nietszeggend en geeft aanleiding tot misbruik voor politieke en moralistische doeleinden, waaraan elke ‘humane gevoeligheid’ ontbreekt. En daarmee rijst de vraag of die aanduiding niet onbruikbaar is geworden.
Profetische kritiek
Hoewel dat wel degelijk hier en daar wordt bepleit, is het in toenemende mate onmogelijk om de discussie rond Israël als staat buiten de religieuze dialoog te houden, zeker zolang die staat haar recht op bestaan (en territoriale uitbreiding) religieus motiveert.
Daarmee wordt onrecht gedaan aan het ‘kosmopolitische’ of ‘almenselijke’ wezen van het Jodendom, zoals dat in Tenach en Talmoed op talrijke wijzen is omschreven. De afdeling bijbelboeken over de antieke koninkrijkjes Israël en Juda heet niet voor niets ‘Profeten’.
Die bijbels-profetische kritiek geldt het oude Israël en Juda, maar raakt indirect alle vormen van nationalisme, dus ook van het huidige Israël, net zo goed als het islamitische Iran, het orthodoxe Rusland, het christelijke Amerika. Die kritiek eist hoe dan ook zijn plaats op binnen de dialoog.
Onopgeefbare verbondenheid
Een ander begrip, dat vooral in protestantse kringen een rol speelt en steeds meer weerstand oproept, is de belijdenis van de ‘onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’. De liberale dominee Jan Offringa pleit ervoor die belijdenis uit de kerkorde van de PKN te verwijderen. In Trouw van 31 oktober 2024 schrijft hij: ‘Dit omstreden artikel mist in mijn ogen een goede onderbouwing en iedereen kan het anders uitleggen.’ Offringa heeft ook bezwaren van heel andere aard:
“Met de gezonde aandacht voor het Jodendom, die ik nog altijd heb, sloop er in christelijke kring ook iets anders mee naar binnen. Dat had te maken met schuldgevoel over wat de kerk Joden door de eeuwen heen heeft aangedaan. Dat is inderdaad geen fraai verhaal. Van de weeromstuit kwamen theologen nu met voorstellen dat het christendom meer Joods moest kleuren. Net als in het Jodendom zou de Tora – de vijf boeken van Mozes – een centrale rol moeten krijgen in de kerk. En het Oude Testament zou voortaan Tenach genoemd moeten worden, naar de Hebreeuwse afkorting van Tora, Profeten (Neviïem) en Geschriften (Ketoebiem).”
Dat is minder onschuldig dan het lijkt. Het suggereert dat het Nieuwe Testament, na de Profeten en de Geschriften, een derde schil vormt om de Tora als dominante kern. Dat is in de kerk nooit zo geweest en moet ook niet veranderen. De kerk hecht waarde aan het Oude Testament, maar ziet in het Nieuwe Testament, met Jezus in de hoofdrol, een onmisbaar vervolg.
Zweven in een liberale kosmos
Offringa suggereert dat de door hem gewraakte theologen met hun ‘van-de-weeromstuit-pleidooi’ voor een grotere rol voor Tenach. Zij beschouwen het ‘Nieuwe Testament’ niet als een ‘onmisbaar vervolg’ op het ‘Oude’. Maar zij hoeven, aldus Offringa, het christendom helemaal niet ‘Joods te kleuren’.
Hun punt is nu juist dat Jezus’ ‘hoofdrol’ onlosmakelijk verknoopt is met en gekleurd door de Tora (‘Mozes en de Profeten’). Als die knoop wordt losgemaakt, gaat Jezus zweven in een door andere religieuze modes gekleurde liberale kosmos. Wie dat niet wil, zal al gauw te gemakkelijk heenstappen over het anti-judaïsme, ‘inderdaad geen fraai verhaal’ en over ‘het schuldgevoel over wat de kerk Joden door de eeuwen heeft aangedaan’. Misschien moeten we het begrip ‘Joods-christelijk’ toch nog maar even aanhouden om niet te vergeten.
Het omstreden PKN-belijdenis-artikel van ‘de onopgeefbare verbondenheid met het volk van Israël’ is oorspronkelijk gebezigd in directe relatie met de nalatige houding van de kerk ten aanzien van de Sjoa en het antisemitisme. Met de beste bedoelingen dus.
Maar misschien zou dat – vanwege de onvermijdelijke identificatie met de staat die de naam van dat volk draagt – gewijzigd moeten worden in een onopgeefbare verbondenheid met alle onderdrukte, naar vrijheid en autonomie strevende volkeren. Men hoeft niets af te doen aan de ongekende diepte en omvang van de Sjoa om zo recht te doen aan al die andere – vaak inheemse – volkeren en volksstammen die ooit werden en nog altijd worden uitgemoord.
Gezamenlijke wortels in de Hebreeuwse bijbel
Een tweede wijziging zou dan kunnen gaan over de onopgeefbare, want onverbreekbare verbondenheid van joden en christenen die in principe (‘in den beginne’) gegeven is met hun gezamenlijke wortels in de Hebreeuwse bijbel, mits die uiteraard als zodanig wordt erkend en ervaren. Het joods-christelijke gesprek zou zich dan kunnen concentreren op de ‘humane gevoeligheid’, oftewel de diepe menselijkheid als kern van beide tradities, of die nu religieus of seculier worden verstaan en verwoord.
cover: schilderij Marc Chagall, gezien en gefotografeerd in Roubaix; Bloom, 2024
Geef als eerste een reactie