Het begon met een klein berichtje in de krant. Zo’n bericht waar je normaal gesproken overheen leest.
In de Frans Halsstraat in Amsterdam zou een Stolperstein worden gelegd voor ene Benjamin Wagenhuis.
Wagenhuis…
Ik zocht hem op. Benjamin bleek een broer van mijn opa. Mijn lieve opa Levie, de man naar wie ik ben genoemd. Voor mij was hij bijna een grote broer. Hij hield van mij en ik van hem. Maar hij sprak nauwelijks. Tegen niemand. Achter in zijn winkel zat hij vaak zwijgend en soms de wereld vervloekend. Hij stierf in 1976. Als kind begreep ik niets van die stilte.
Over de oorlog werd bij ons gelukkig — of misschien juist ongelukkig — nauwelijks gesproken. Niet bij de Wagenhuizen van mijn vaders kant en niet bij de De Casseressen van mijn moeder. Misschien dachten onze ouders en grootouders dat zwijgen een vorm van bescherming was.
Dus begon ik te zoeken.
Benjamin. Een broer. Nog een broer. Een zus. Mijn overgrootmoeder. Namen werden gezinnen, gezinnen werden data en data werden plaatsen: Auschwitz, Mauthausen, Sobibor. Totdat ik uitkwam op 32 vermoorde mensen uit alleen het gezin van mijn overgrootvader Wagenhuis.
Toen dacht ik aan het onderzoek dat ik al jaren doe naar het gezin van de grootouders van mijn moeder, De Casseres. Ook daar: 32.
32 + 32…
Vier-en-zestig mensen. En, alsof een scenarioschrijver vond dat het nog niet symbolisch genoeg was, twee overgrootvaders die allebei David heetten.
Op zo’n moment houdt geschiedenis op geschiedenis te zijn. Het zijn geen archiefkaarten, transportlijsten of namen die bruikbaar zijn voor een boek. Het is misjpoge. Mijn misjpoge.
Lilly zat naast me en keek me aan. Een ruwharige teckel kan uitstekend zwijgen en is daarmee soms een betere gesprekspartner dan een mens. Misschien begreep ik bijna vijftig jaar na de dood van mijn opa eindelijk iets van zijn stilte. Misschien zat achter in die winkel niet een oude man die de wereld vervloekte, maar een man die met tientallen doden leefde over wie hij niet kon praten.
De volgende middag lunchte ik eerst met Bar Vingerling, chazan van de Portugese Esnoga, bij Chabad op de Albert Cuyp. Daarna liepen we samen, gewoon ongestoord met onze keppeltjes op, naar de Frans Halsstraat.
Een straat vol mensen die niet wegkijken, maar omkijken.
En daar gebeurde iets wat ik niet had verwacht.
Tientallen buurtbewoners stonden klaar. Zij hadden zelf georganiseerd dat er twee Stolpersteine werden gelegd voor mijn oudoom Benjamin Wagenhuis en zijn vrouw Grietje Augurk. Niet omdat iemand het hun had opgedragen, maar omdat zij vonden dat mensen die ooit in hun straat woonden niet mochten verdwijnen.
Ik mocht spreken. Een buurtbewoonster sprak. Ook drie Joodse buurvrouwen die nooit terugkeerden werden herdacht.
En toen zei Bar het Yizkor, of Hashkava bij de Portugezen.
Voor de vermoorde Wagenhuizen en voor de drie vrouwen uit de straat.
Wie Bar dat moment wil horen, kan de opname bekijken op Esnoge tv.
Misschien moet je zo’n gebed niet uitleggen. Je moet het horen en voelen.
We lezen tegenwoordig zoveel over antisemitisme, vijandschap en polarisatie dat je bijna zou vergeten dat er ook een ander Nederland bestaat. Een straat vol mensen die niet wegkijken, maar omkijken. Die geschiedenis niet wegstoppen, maar letterlijk in hun trottoir leggen.
Ik was bang dat die middag vooral verdriet zou brengen.
Het werd een warm bad in de Frans Halsstraat.
En misschien is dat wel de mooiste gedachte: we kunnen de doden niet terugbrengen. Maar zolang een onbekende buurman zich bukt om hun naam te lezen, zijn ze ook niet helemaal verdwenen.
cover: screenshot uit video TRACKS: Stumbling Stones Amsterdam, door Stichting Stolpersteine
Geef als eerste een reactie