Van Verlichting naar de ‘Engel van de Geschiedenis’

Wat als de geschiedenis niet vooruitgaat, maar ons achterwaarts de toekomst in blaast? 

En wat als juist de herinnering aan wat Europa heeft verwoest de enige voorwaarde is om die toekomst te kunnen denken? In het werk van Walter Benjamin komen die twee vragen samen. 

Zijn ‘Engel van de Geschiedenis’ is niet simpelweg een symbool voor het verleden of voor de catastrofe. Het is een joods-messiaans beeld dat het Europese vooruitgangsgeloof op zijn kop zet: de toekomst ligt niet vóór ons, maar achter ons. Zij kan alleen betekenis krijgen wanneer wij ons blijven wenden tot de slachtoffers en ruïnes van het verleden.

Walter Benjamin (1892–1940) gebruikt de joodse geschiedenis om het Europese vooruitgangsgeloof om te keren: wie naar de toekomst wil kijken, moet eerst het verleden onder ogen zien. Benjamin was een Duits-Joodse filosoof en literatuurcriticus wiens werk zich bewoog tussen geschiedenis, kunst en de herinnering aan hen die zijn vergeten. In 1940, op 47-jarige leeftijd, maakt hij, diep verontrust en uit angst om door de Gestapo gevangengenomen te worden, een einde aan zijn leven. Op de drempel van een nieuw jaar – slechts enkele dagen voor Rosj Hasjana ראש השנה, aan het einde van de maand Elul. 

In 1921 kocht de 28-jarige Walter Benjamin in München Angelus Novus (‘Nieuwe Engel’) van Paul Klee. Het schilderij uit 1920 zou uitgroeien tot een sleutelwerk in Benjamins denken over geschiedenis. De Angelus van Klee werd het beeld waarmee Benjamin zijn beroemde idee van de ‘Engel van de Geschiedenis’ vormgaf.

Mal’ach

In het Hebreeuws betekent mal’ach zowel engel als boodschapper: Daarmee is de engel ook verbonden met Benjamins joodse denken. Benjamin was sterk beïnvloed door zijn vriendschap met de joodse filosoof Gershom Scholem en door joodse mystieke en messiaanse voorstellingen. Al kort na de aankoop van Angelus Novus gebruikte hij de engel als intellectueel en spiritueel motief. In 1933 schreef hij het autobiografische fragment Agesilaus Santander waarin opnieuw een engel verschijnt. Scholem zag in Benjamins engel een verbinding tussen diens filosofie en joodse mystiek. In het Hebreeuws betekent mal’ach zowel engel als boodschapper: een engel is iemand die iets overbrengt. 

Paul Klee, Angelus Novus 1920, monoprint 31,8 cm x 24,2 cm Collectie: Israel Museum,
Jeruzalem

Paul Zion Klee

Paul Klee, met een christelijke Duits-Zwitserse achtergrond, werd ‘Paul Zion Klee’ genoemd, een antisemitische beschuldiging die zijn avant-gardistische kunst met het jodendom in verband bracht.

Later, onder het naziregime, werd hij in de pers zelfs een ‘Galicische jood’ genoemd. Klee schreef in 1933 aan zijn vrouw Lily dat zelfs als het waar zou zijn dat hij een jood uit Galicië was, dit niets zou afdoen aan zijn menselijke waarde of artistieke prestaties.

Daaronder ligt een merkwaardige historische laag. In 2013 stelde de Amerikaanse kunstenaar Rebecca H. Quaytman vast dat Angelus Novus niet op een leeg oppervlak was gemaakt. Onder de zwarte rand rond Klee’s afbeelding bleek een oudere voorstelling schuil te gaan: een oude gravure van

Friedrich Müller waarop Dr. Martin Luther is afgebeeld, gedateerd 1838, gebaseerd op een schilderij van Lucas Cranach de Oude uit 1521. Die ontdekking maakt het beeld van Benjamin nog pregnanter. Luther publiceerde in 1543 Over de Joden en hun leugens, waarin hij onder meer opriep tot de vernietiging van synagogen en joodse boeken en tot confiscatie van joods bezit. Zijn antisemitische geschriften werden eeuwen later door de nazi’s aangehaald.

Over de Joden en hun Leugens (Von den Juden und ihren Lügen), gepubliceerd in 1543,
Martin Luther

Zo bevindt zich onder de engel die Benjamin met de catastrofe van de joodse geschiedenis zou verbinden, het beeld van een man wiens anti-joodse geschriften eeuwen later zouden worden toegeëigend door de grondlegger van het naziregime. De fascistische beweging die Walter Benjamin wilde vermoorden, simpelweg omdat hij jood was.

Dat is meer dan een historische ironie. Het suggereert dat de geschiedenis waar Benjamin naar kijkt letterlijk onder het beeld verborgen ligt.

Vooruitgang is geen vanzelfsprekende beweging naar een betere toekomst.

In 1940, kort voor zijn zelfmoord, schreef Benjamin  –  die een voortvluchtige Jood was geworden  – zijn Theses over de filosofie van de geschiedenis. De twintig theses vormen een radicale kritiek op het idee dat de geschiedenis zich lineair in de richting van vooruitgang beweegt. 

Voor Benjamin is vooruitgang geen vanzelfsprekende beweging naar een betere toekomst. Zij kan juist de naam zijn voor de storm die ons steeds verder verwijdert van wat we onderweg hebben verwoest.

Dat is de betekenis van de engel die naar het verleden kijkt. Waar wij een reeks gebeurtenissen zien, ziet hij een grote catastrofe die voortdurend puin op puin stapelt. Hij zou de doden willen wekken en herstellen wat verwoest is. 

Maar een storm uit het paradijs grijpt zijn vleugels en drijft hem onweerstaanbaar de toekomst in. Zijn gezicht blijft naar het verleden gericht. Die storm, schrijft Benjamin, is wat wij ‘vooruitgang’ noemen.

Het verleden blijft ons aankijken

Hier ligt de kern van Benjamins geschiedfilosofie. Het verleden is geen afgesloten hoofdstuk dat achter ons ligt. Het verleden blijft ons aankijken. En de toekomst is niet simpelweg het volgende moment in een lineaire tijd. Zij ontstaat pas wanneer het verleden wordt herinnerd, wanneer slachtoffers niet uit het historische verhaal verdwijnen en wanneer het gebrokene opnieuw in beeld komt.

Daarin klinkt een joods-messiaanse gedachte door. In het Hebreeuws kunnen verleden en toekomst zelfs ruimtelijk worden voorgesteld. Kedem betekent het oude of oorspronkelijke, maar ook het Oosten, de richting van de opgaande zon. Acharit betekent toekomst of wat daarna komt, terwijl achor ‘achter’ betekent. Wat voorbij is, bevindt zich vóór ons, omdat we het kunnen zien. De toekomst ligt achter ons, omdat we haar niet kunnen kennen.

Verlossing betekent dat wat gebroken is, wordt hersteld.

De messiaanse toekomst vraagt vanuit die gedachte niet dat wij ons van het verleden afwenden, maar juist dat wij ernaar terugkijken. Verlossing betekent niet dat de geschiedenis wordt uitgewist. Zij betekent dat wat gebroken is, wordt hersteld. De toekomst is dan de mogelijkheid dat het verleden alsnog tot voltooiing komt.

Dat werpt ook een ander licht op Benjamins eerste these, waarin de Mechanische Turk centraal staat. De schaakautomaat, gebouwd in 1769 door Wolfgang von Kempelen, leek zelfstandig te kunnen spelen, maar bevatte in werkelijkheid een menselijke schaker die verborgen zat in het mechanisme. 

Benjamin gebruikt het apparaat als metafoor: het materialisme kan alleen winnen wanneer het wordt bijgestaan door de theologie die zich verborgen moet houden.

Ook hier verschijnt de verborgen figuur. Hij doet denken aan Moses Mendelssohn, die in 1783 met Jeruzalem een fundamentele bijdrage leverde aan het debat over joodse emancipatie. Mendelssohn geloofde dat joden als vrije burgers deel konden uitmaken van Europa zonder hun identiteit te hoeven opgeven.

Karl Marx stelde die verhouding later radicaler aan de orde. Hij kwam uit een joodse familie en schreef in 1843 Over de Joodse kwestie, waarin hij de grenzen van religieuze emancipatie binnen de burgerlijke samenleving onderzocht. Benjamin erfde een deel van Marx’ vocabulaire, maar beleefde de vraag naar emancipatie op het moment waarop de Europese belofte van vooruitgang in haar tegendeel omsloeg.

Wat Europa liever niet ziet, bevindt zich niet buiten de geschiedenis, maar ín haar fundamenten.

Kan de jood tot Europa behoren zonder zichzelf te hoeven verhullen?

Daarmee komen Mendelssohn, Marx en Benjamin samen rond één vraag: kan de jood tot Europa behoren zonder zichzelf te hoeven verhullen? Mendelssohn geloofde dat dit mogelijk was. Marx maakte van de vraag een kritiek op de Europese samenleving. Benjamin zag uiteindelijk hoe Europa zelf de jood tot een verborgen, opgejaagde figuur maakte.

De verborgen schaker en de verborgen Luther onder Angelus Novus kunnen daarom als twee beelden van hetzelfde probleem worden gelezen. Wat Europa liever niet ziet, bevindt zich niet buiten de geschiedenis, maar ín haar fundamenten. De geschiedenis moet niet gladgestreken worden tot een verhaal van vooruitgang. Zij moet worden opengelegd, inclusief haar slachtoffers, haar antisemitisme en haar mislukkingen.

Daarom is de ‘Engel van de Geschiedenis’ uiteindelijk meer dan een beeld van wanhoop. Zijn blik op de ruïnes is juist de voorwaarde voor een andere toekomst. Hij kijkt achteruit: daar ligt wat nog moet worden gered.

De ‘Engel van de Geschiedenis’ is zo een symbolische gevleugelde boodschapper van een ongemakkelijke waarheid: wie de toekomst wil bereiken, moet zich eerst durven omdraaien. 

Ondertekend door iemand die getuigenis aflegt, Joseph Sassoon Semah, 10 september 2026


cover: Walter Benjamin en Paul Klee’s Angelus Nova, collage Bloom

Over Joseph Sassoon Semah 3 Artikelen
Joseph Sassoon Semah werd geboren op 24 februari 1948 in Bagdad als de kleinzoon van rabbijn Sassoon Kadoori, de laatste Opperrabbijn van Irak. Na de verdrijving van de Joodse gemeenschap uit Irak verhuisde zijn familie in 1950 naar Israël. In 1976 vestigde Joseph zich in Europa. Zijn artistieke praktijk weerspiegelt de ervaring van culturele uitwisseling en het Babylonisch-joodse erfgoed. Via tekeningen, installaties, performances en teksten onderzoekt en bevraagt hij de dominante westerse narratieven, sprekend vanuit het perspectief van de Ander, de Gast. Zijn werk biedt ruimte voor kritische reflectie op identiteit, geschiedenis en traditie. Het maakt deel uit van zijn langdurige onderzoek naar de relatie tussen het jodendom en het christendom als bronnen van westerse kunst, cultuur en politiek. Zijn omvangrijke oeuvre bestaat uit tekeningen, schilderijen, sculpturen, installaties, performances en teksten. Hij exposeert regelmatig in binnen- en buitenland.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*