Toli, wat doet een Satmar bachur hier op Har Herzl? 

Mijn eigen weg #25 

Toli of Naftoli, jongeman met peijes en pet op tegen de achtergrond van Londen

 21 maart 2013

Het gebouw van de jesjiewe is bijna helemaal leeg. Volgende week begint Pesach. De meeste bochrim zijn naar huis. De Amerikanen zijn al twee weken geleden vertrokken. De jongens die in Erets Jisroeil wonen zijn nu ook weg. Er zijn geen sjioerim meer, met een paar jongens ben ik achtergebleven.

Natuurlijk had ik voor Pesach ook naar huis willen gaan. Maar tattie schreef mij dat ik er maar niet op moet rekenen dat ik naar huis kan komen. “Naftoli, Jeroesjalajim in de Satmar jesjiewe is de enige plaats waar je veilig bent”. Veilig bent? Tattie is natuurlijk bang dat ik in Stamford Hill Jaffa weer ga opzoeken. Of dat ik op bezoek ga bij juffrouw Gloria in de bibliotheek. Voor mezelf had ik al bedacht dat ik ergens op een onbewaakt moment naar de club ga. Om te kijken hoe het met Gedalje gaat. Maar het ziet er naar uit dat dit dus allemaal niet gaat gebeuren. 

Ik heb toch nog een briefje aan mammie geschreven of zij niet samen met Chayele voor Pesach naar mij toe kan komen. Maar die vraag is natuurlijk tegen beter weten in. Mammie is veel te druk voor Pesach en ze zal tattie en de kinderen voor Jomtof zeker niet alleen laten. Zou tattie zich niet kunnen voorstellen dat ik thuis vaak mis? En zeker op Jomtof?

Pesach helemaal alleen hier in Erets Jisroeil? Natuurlijk niet. Vetter Eli en mimme Feigel hebben mij al gevraagd om voor Pesach naar Arad te komen. Dat ga ik vast doen. Maar dat is niet hetzelfde als thuis zijn voor Jomtof. Zelfs met een strenge tattie.

Het was voor mij even een gepuzzel, maar ik heb het gevonden. Bus negenendertig heeft me rechtstreeks van Jechezkelstraat naar de Har Herzl gebracht.

Ik zal thuis maar nooit vertellen dat ik naar een plek ga in Jeroesjalajim die Herzl heet. Als die naam viel, thuis, op het Cheider of in sjoel kwam daar altijd een nare opmerking achteraan. Iets van dat die naam uitgewist moest worden. Net als van Amalek. Herzl had immers iets te maken met de zionisten.

 Ik loop rechtstreeks af op een rijtje grafstenen van gesneuvelde soldaten. Net als bij Berel in Arad. Maar hier zijn veel meer graven. Mijn hand gaat naar mijn broekzak. Het steentje komt tevoorschijn. Meteen vraag ik me af bij welk graf ik het zal neerleggen. Er zijn er zoveel.

Met mijn ogen dicht loop ik een eindje rechtdoor. Na twintig stappen sta ik stil en open mijn ogen. Ik sta pal naast een graf met jaartal 5727. Deze soldaat is dus al bijna vijftig jaar geleden omgekomen. Shlomo Bernstein. Ik buk en leg mijn steentje op het graf. 

Zo verdiept in een kapittel Tehillim dat ik voor de soldaat zeg, merk ik niet dat er iemand naar mij staat te kijken. Pas als ik mijn Tehillim sluit, zie ik hem. Het is een soldaat met zijn geweer over de schouder. Zijn baret draagt hij onder zo’n bandje op zijn schouder. Op zijn hoofd draagt hij een keppel, een gehaakte witte. Hij knikt naar me. ‘Is deze militair die hier ligt familie van je?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Moet dat dan?’ ‘Nee, natuurlijk niet. Ik dacht maar zo. Omdat je bij dit graf Tehillim zegt.’  Wat moet ik hem vertellen? Het gaat deze man toch niets aan dat ik in Arad een steentje heb opgepakt nadat Berel mij heeft gevraagd om de omgekomen soldaten niet te vergeten? ‘Ik ben Chagai, hoe heet jij?’ ‘Mijn naam is Toli. Heb jij hier familie?’ ‘Nee, niet hier. Wel op andere begraafplaatsen hier in de buurt. Mijn grootvader bijvoorbeeld.’ ‘Jouw zeider?’ 

Chagai glimlacht. ‘Natuurlijk. Ik had zeider moeten zeggen. Ik hoor dat jij nog niet zo goed Ivriet spreekt. Waarschijnlijk ben je beter in Jiddisj?’ ‘Ja, dat versta ik beter’. ‘Toli, in welke jesjiewe leer jij?’ ‘In Satmar’. Chagai doet een stap terug. ‘Satmar? Wat doet een Satmar bachur hier op Har Herzl? Hier mogen jullie toch helemaal niet komen van jullie Rebbe?’ 

‘Eh, nee, nee. Eigenlijk ook niet. Maar, ik ben, ik voel…. Ik voel me niet meer zo Satmar. Jij bent een soldaat. Zelfs een vrome soldaat. Jij doet veel meer voor Erets Jisroeil dan ik. Tenminste, dat zeggen ze. Daarom ben ik hier ook naartoe gekomen. Om zomaar een soldaat ‘skoich’ te zeggen’.  

‘Toli, mag ik je iets vertellen? Ik doe wat ik moet doen voor ons land en jij doet wat jij moet doen. Mijn taak is ons land te bewaken met dit ding’. Chagai tilt zijn geweer omhoog.’ Jouw taak is om Gemara te leren, zoveel mogelijk. Hasheem wil dit allebei. Tenminste, zo heb ik het thuis van mijn ouders meegekregen.’ We lopen samen tussen de grafzerken door. 

‘Chagai, vind jij dan niet dat wij ons verkeerd gedragen tegenover jullie? Bij ons deugen zionisten niet. En soldaten al helemaal niet’. ‘Toli, jij hebt het nu echt over Satmar en hoe jullie denken dat de Satmar rebbe het bedoelt. Daar heb ik echt wel moeite mee. Maar er zijn ook heel veel chassidim die er net zo uitzien als jij maar het helemaal niet erg vinden dat wij geloven dat er ook soldaten moeten zijn.’

Het begint al donker te worden. Ik staar naar de man in zijn uniform tegenover mij.


Jomtof Religieuze feestdag
Seideravond De eerste twee feestelijke avonden van het Pesachfeest 
Har Herzl Herzl Berg
Amalek Het volk dat in de Tora als de aartsvijand van het Joodse Volk wordt bestempeld
Bachur Jongen

Over Lody van de Kamp 122 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*