Verweesd wantrouwen rond nazi-roofkunst (2) 

Reactie op Advies verweesde Joodse roofkunst uit de NK-collectie van Commissie Asscher 

In het eerste deel ga ik in op de ontstaansgeschiedenis van het Advies van de Commissie Asscher en vraag me af of het grote aantal beperkingen en de gestelde randvoorwaarden een blijk van wantrouwen is. En: is de Joodse gemeenschap geholpen met dit advies?
Hier bespreek ik onduidelijkheden in het Advies en vraag me af de Nederlandse Staat al dan niet onbewust antisemitisme in stand houdt. 

Overdracht van de geroofde kunst

Vragen of onduidelijkheden betreffen wanneer overdracht aan de orde is (eerst nog nader onderzoek zoals de minister meermaals aangaf)? Zullen de ruim duizend vaak al decennialang in bruikleen gegeven kunstwerken ook onder het voogdijschap vallen? Zal alle verweesde kunst ter beschikking staan van het Joods Museum om de levensverhalen te vertellen, die het Advies zo wezenlijk acht? Of komt er eerst nog nader onderzoek zoals de minister meermaals aangaf? Het zijn onduidelijkheden die knellen in het Advies over de overdracht van de geroofde kunst. 

Het lijkt erop dat de Staat de ruim duizend kunstobjecten die van grote kunsthistorische betekenis of waarde zijn, blijvend willen veiligstellen. Gelet op de oorsprong van deze kunstwerken en de reden waarom deze thans bij de Staat berusten zou dat een ongewenste uitkomst zijn. Resterend zijn dan duizenden objecten die blijkbaar van mindere betekenis zijn en nooit in bruikleen zijn gegeven. Deze opdeling wijst op een fijn samenspel tussen een aantal betrokken partijen of belanghebbenden die elk hun positie wensen veilig te stellen. 

Verkoopverbod is onvoldoende doordacht

De beperking niet te mogen verkopen dient ook bezien te worden tegen de achtergrond dat museale depots in Nederland overvol zijn. De motie van Tweede Kamerlid Van der Wal van november 2024 verzocht de minister OCW te inventariseren hoeveel (kunst)objecten er in depots van Nederlandse musea liggen, onzichtbaar voor het publiek. De minister antwoordde daarop in december 2024 dat Rijksmusea in 2022 ruim zestig miljoen objecten beheerden waarvan tien procent op zaal was te zien, 89 procent in depots en de resterende procent bruikleen betrof. 

Let wel, dit betreft alleen rijksmusea. Andere musea tonen zevenentwintig procent aan het publiek, geven aan dat twee procent in bruikleen is en houden zeventig procent in depot. Verder antwoordt de minister dat een deel van de Rijkscollectie niet door musea maar door RCE (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) wordt beheerd. Door bruiklenen en zonder eigen museumzaal zou gemiddeld een derde van deze collectie publiek toegankelijk zijn.

De praktijk laat zien dat, zoals de minister zegt, het realiseren van bruiklenen veel van musea vergt, behoorlijke druk op de organisatie legt en het beschikbare budget.

Kortom, met alle goede intenties, de kans dat de NK-collectie werkelijk in grote mate voor het publiek toegankelijk zal zijn, lijkt heel beperkt.

Zou het daarom niet pragmatischer zijn de ‘duizenden kunstvoorwerpen’ eerst nader te bezien, tot een vorm van indikking over te gaan en het verkoopverbod niet absoluut te stellen? Dit mede om na alle uitvoerige rapporten en adviezen van de afgelopen decennia niet opnieuw met praktische uitvoeringsbezwaren of onbegaanbare paden te worden geconfronteerd. 

Vismarkt soms De Vier Elementen: Water is een bekend werk van de Vlaamse kunstenaar Joachim Beuckelaer uit circa 1568-1570

Kunst en -objecten uit andere collecties

Het is waarschijnlijk ook verstandig voor de Staat om te bezien of er nog steeds kunstvoorwerpen in het buitenland verblijven of zich in andere collecties bevinden, die alsnog deel zouden moeten uitmaken van de NK-collectie. Naar verluidt bevinden zich nog veel betekenisvolle schilderijen, van Nederlandse joden afkomstige roofkunst, als oorlogsbuit in Polen, Rusland en andere Oost-Europese landen.

Voorts valt op de lange lijst van experts en belanghebbenden waarmee de commissie Asscher heeft gesproken, waaronder negen vertegenwoordigers van Claims Conference en Irgoen Olei Holland

Rechthebbenden in het buitenland

Toch is voor deze significante groep joden die na de Tweede Wereldoorlog verkoos Nederland te verlaten in het Advies geen plaats weggelegd. Dat is feitelijk een breuk met verdelingen in het verleden zoals bij de Consignatiegelden, Maror en NS. In deze aanspraken was eveneens plaats voor rechthebbenden in het buitenland. Bij de verweesde kunst zou daar ook plaats voor dienen te zijn.

Bestrijding van antisemitisme

Tenslotte sluit het Advies nauw aan op de actualiteit als het om virulent antisemitisme gaat. Het adviseert als ‘trouvaille’ om uniforme tekstbordjes bij joodse roofkunst uit de NK-collectie verplicht te stellen, inclusief een aanbeveling voor de tekst over de joodse herkomst en onbekende oorspronkelijke eigenaar. 

Al jaren geleden zag ik in het Bonnefantenmuseum in Maastricht meer dan vijftig(!) schilderen dergelijke bordjes. Het is echter de vraag in hoeverre dit soort geïsoleerde adviezen daadwerkelijk zal helpen. Brede educatie in onderwijsinstellingen, bezoek aan musea, herinnerings- en gedenkplaatsen evenals actief overheidsoptreden, ook van het Openbaar Ministerie, tegen antisemitisme lijkt vooral passend. Daarnaast kan gedacht worden aan de bestrijding van desinformatie, een kritische kijk op artistieke vrijheid en het recht van demonstratie et cetera. 

Nationaal Monument op de Dam

Echter, zolang het Nationaal Monument op de Dam geen expliciete verwijzing toont naar de Jodenvervolging en de ruim honderdduizend slachtoffers is veelal de vraag of de Nederlandse overheid zelf (onbewust?) geen antisemitisme in stand houdt of werkelijk oprecht de bestrijding van antisemitisme ter hand neemt. 

Waarom zou antisemitismebestrijding een primaire taak moeten zijn van de door de Duitse bezetter geroofde en nu verweesde kunst die na meer dan tachtig jaar aan de Joodse gemeenschap toekomt? 

Bestrijding van antisemitisme is noodzaak, een belangrijk opzichzelfstaand onderwerp, vergt een gecoördineerde aanpak waarbij de Verweesde Kunst ernstige uitwassen kan illustreren. 

Een archeoloog had bij het vernietigingskamp Sobibor een emaillebordje opgegraven met daarop de naam van mijn grootmoeder Sara Mock. De betekenis van oma’s bordje is een trieste herinnering aan deze grove uitwassen van de Jodenvervolging in Nederland met ruim honderdduizend slachtoffers.


cover: Pieter Brueghel de Jonge Brussel, 1564 – Antwerpen, 1638, Bruiloftsmaal voor een boerenhuis

Over Marcel Mock 4 Artikelen
Marcel Mock is ruim veertig jaar werkzaam als adviseur op gebied van (internationaal) ondernemingsrecht. Daarnaast is hij eveneens meer dan veertig jaar actief als vrijwilliger voor met name joodse organisaties.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*