Vaak loop ik ’s middags over straat en word ik aangesproken met de vraag of ik al mincha heb gedawend. Mincha is het middaggebed met een minjan: een quorum van tien mannen.
Het bijzondere van mincha is dat je het eigenlijk overal kunt bidden. Het ochtend- en avondgebed worden meestal in je eigen sjoel gezegd, maar ’s middags ben je aan het werk en heb je vaak geen tijd om naar de sjoel te gaan. Daarom kan mincha werkelijk overal plaatsvinden.
Zo organiseert de plaatselijke elektriciteitswinkel iedere middag een minjan voor de winkeliers uit de buurt. Heel even kun je dan in geen winkel terecht, maar niemand die zich daaraan stoort. Het komt ook voor dat ik bij de bank ben en de filiaalmanager even is verdwenen. Dan weet iedereen waar hij is. Ook daar maakt niemand een probleem van.
Sinds ik in Israël woon, probeer ik geen enkele dienst zonder een minjan te bidden. Ook dat is hier relatief eenvoudig. Binnen een straal van vijfhonderd meter kan ik aan alle drie de dagelijkse gebeden met een minjan meedoen: vanaf zes uur ’s ochtends tot ongeveer half elf ’s avonds. En als je nog even doorloopt naar de Kotel, kan het zelfs nog veel later.
Een minjan is belangrijk, want voor bepaalde gebeden heb je echt tien mannen nodig.
Iedereen in Israël weet dat.
Hoe vaak word je in een toestel van EL AL niet gevraagd om mee te doen aan een minjan? Persoonlijk vind ik dat altijd wat minder prettig. Je staat met z’n allen opgepropt in de pantry, je kunt je nauwelijks bewegen en je ruikt noodgedwongen elkaars parfum – of het gebrek daaraan.
Daarom zorg ik ervoor dat ik op de luchthaven Ben Gurion al heb gedawend. Ik zeg er dan altijd bij: “Als jullie de tiende man tekortkomen, roep me gerust.” Meestal blijkt dat niet nodig, maar iedereen beseft hoe belangrijk die tiende man is.
Twee voorbeelden zijn me altijd bijgebleven.
Een paar jaar geleden ging ik naar de jaartijdherdenking van mijn oma op de begraafplaats. Dat duurt nooit lang, dus ik zei tegen de taxichauffeur: “Wacht even op me.” Dat bleek een gouden zet. Bij het graf stonden we namelijk met negen mannen. Ik riep de taxichauffeur erbij. Hij had, zoals zoveel Israëlische chauffeurs, standaard een keppel in zijn auto liggen. Hij voelde zich zichtbaar vereerd dat hij werd gevraagd. Geloof me, hij was geen vaste sjoelbezoeker, maar hij vond het prachtig om op deze manier te kunnen helpen.
Vorige week waren we op een zevenberachot, de feestmaaltijd na een huwelijk. Ook daarvoor heb je een minjan nodig. We waren precies met tien mannen. Helaas werd de grootvader moe en wilde hij naar huis. Zonder aarzelen stapte een jonge ober naar voren: “Ik ga even een keppel halen,” zei hij. Een minuut later stonden we weer met tien.
Mijn moeder zegt dan altijd: “Dat kan alleen in Israël.” Ze heeft zeker gelijk.
Jouw aanwezigheid kan het verschil maken.
Maar ik denk dat er nog iets anders achter zit. Van jongs af aan groeien mensen hier op met het besef dat een minjan een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Of je nu orthodox bent, traditioneel of nauwelijks naar de sjoel gaat, als iemand de tiende man nodig heeft, dan help je.
Gewoon, omdat je weet dat jouw aanwezigheid het verschil kan maken. Dat vind ik misschien nog wel het mooiste van allemaal.
cover: Lichtpuntjes, beeld Talma Toachimsthal
Geef als eerste een reactie