Onderweg naar school haalde ik mijn beste vriendje op. Laten we hem Bauke Boomsma noemen.
Het was een typische lagere-schoolvriendschap: de ene week waren we de dikste maten, de volgende week aartsvijanden. Bauke was alles wat ik niet was. Hij was een blonde Fries geboren in Franeker, was atletisch, dol op voetballen, groot, mager en had blauwe ogen.
In de zomer van 1945 kwamen we vanuit Zwitserland naar Nederland. Na een jaar bij mijn grootouders te wonen, kon mijn vader een klassiek herenhuis huren in Den Haag.
De lagere school was nog geen kwartier lopen. De eerste twee jaar zat ik op een openbare school met wel zestig kinderen in een klas. Voor de derde klas stuurden mijn ouders me naar een particuliere school. Die lag drie minuten dichterbij, telde 27 kinderen per klas en – hiep hiep hoera – ik mocht voortaan alleen naar school, niet meer aan mama’s hand.
Op een woensdag kregen we na school felle ruzie. Bauke noemde mij een rotjood, of iets van die strekking. Ik vloog hem aan. Er ontstond een felle vechtpartij die ik – in mijn onbevooroordeelde herinnering – glansrijk won.
Blauw oog
Ik kwam thuis met schrammen, een blauw oog en gescheurde kleren. Tot mijn verbazing was mijn moeder niet overstuur of boos. Ze stuurde me nuchter naar boven om me te wassen en te verkleden. Toen ik weer naar beneden kwam voor de lunch (die in de jaren vijftig nog bestond uit gewone boterhammen met kaas of ‘sjem’), ging de telefoon. Uit de toon en de lichaamstaal van mijn moeder begreep ik dat het ernstig was. Ze hing op en keek me een paar seconden zwijgend aan.
“Dat was de moeder van Bauke. Ze komt zo langs om te praten. Eet je boterham snel op en ga naar boven. Blijf op je kamer met de deur dicht.”
Mevrouw Boomsma bleef zeker een uur. Toen ze wegging, zag ik door mijn slaapkamerraam dat ze huilde.
Pas jaren later, toen we inmiddels naar verschillende scholen gingen, vertelde mijn moeder me wat er die middag was besproken. Mevrouw Boomsma kwam haar excuses aanbieden. Ze vond het verschrikkelijk – en wel om een heel bijzondere reden: Bauke wist destijds niet dat hij zelf Joods was.
Vriendinnetje van de wethouder
Mevrouw Boomsma, de naam die ik haar geef om haar anonimiteit te waarborgen, was het Joodse vriendinnetje van een wethouder uit Franeker met wie ze in mei 1940 haastig was getrouwd. Haar man had via zijn relaties in het stadsbestuur alle bewijzen van haar afkomst weten te verdoezelen.
De reden dat mijn moeder destijds zo rustig bleef onder mijn blauwe oog was achteraf gezien even wijs als ontroerend. Ze was opgelucht dat ik had geleerd dat antisemitisme op de meest onverwachte momenten de kop op kan steken. En dat ik er, in de veilige omgeving waar we nu woonden, met enkele schrammen vanaf kon komen.
cover: Rabbijn Maarsenplein, Den Haag met Kindermonument. Bron Traces of War
Geef als eerste een reactie