Lilly ligt naast mij en kijkt op wanneer ik mij afvraag hoe het kon dat een deel van de Joodse middenstand in Amsterdam na de Sjoa weer zo snel welvarend werd in de jaren vijftig en zestig.
„Simpel,” zegt ze. „Ze hadden geen tijd voor een vijfjarenplan.”
Voor veel teruggekeerde Joden was er natuurlijk helemaal geen snelle wederopbouw. Mensen kwamen terug zonder ouders, familie, woning, winkel of gezondheid. Sommigen bleven arm of vereenzaamd en anderen droegen een verdriet dat nooit meer verdween. Ook zij horen bij dit verhaal.
Maar daarnaast was er een groep die opmerkelijk snel weer begon te ondernemen. Niet omdat hun verlies kleiner was, maar misschien omdat er kinderen waren die schoenen nodig hadden en lege winkels die opnieuw met schmatte moesten worden gevuld.
Daarbij hielp iets wat tegenwoordig bijna verdwenen is: kopen op wissel. Kleding, stoffen en andere handelswaar hoefden niet meteen te worden betaald. De leverancier gaf zestig, negentig of honderdtwintig dagen krediet. Eerst verkopen, daarna betalen. Dat vertrouwen kwam niet alleen uit Joodse kring. Ook niet-Joodse fabrikanten en leveranciers hielpen ondernemers na de oorlog op deze wijze weer op gang te komen. Een handtekening en een goede naam konden voldoende zijn.
„Dus geen kredietscore?”
„Nee.”
„Geen algoritme?”
„Nee.”
„Wat primitief. Mensen vertrouwden gewoon andere mensen.”
Misschien deed het enigszins denken aan de Sefardische handel tijdens de Gouden Eeuw, toen handelsnetwerken via families, havens en vertrouwde relaties liepen.
Na de oorlog ontstonden opnieuw internationale lijnen, eerst binnen Europa en later naar Turkije, India en het Verre Oosten. Iemand zei: „Ik ken zijn vader nog,” en dat kon bijna voldoende zijn om een partij mee te krijgen.
De bedrijven zaten verspreid over Amsterdam: ateliers aan de grachten, het confectiecentrum, winkels op de Nieuwendijk en Kalverstraat, stoffenmagazijnen rond de Jodenbreestraat, maar ook marktkramen op de Albert Cuypmarkt.
Tussen enorme rollen wol, katoen en voeringstoffen werd gevoeld, gekeken en vooral onderhandeld. Later verplaatste een deel van die handel zich naar Weesp waar nieuwe textielmagazijnen ontstonden.
Met weinig geld kon men zo een winkel beginnen. Een toonbank, een paar rekken, een partij schmatte en behoorlijk wat gotspe. Als de kleding verkocht was voordat de wissel verviel, werd de leverancier betaald en begon het opnieuw.
„En als het niet is verkocht?”
„Dan had je een probleem.”
Lilly knikt. „Kijk. Dat is pas een businesscoach.”
Achter veel van die mannen stonden vrouwen die minstens zo hard werkten. Zij hielpen in de winkel, hielden de administratie bij, adviseerden klanten, wisten welke jurken je niet opnieuw moest kopen en wisten precies wie nog moest betalen. Hun naam stond lang niet altijd op de gevel, maar zonder hen was menige zaak waarschijnlijk vóór het vervallen van de eerste wissel verdwenen.
Met de welvaart kwamen ook de mooie klokken (horloges) en sieraden. Er werd onderling gehandeld, bewonderd en soms een beetje opgeschept. „Nieuw?” vroeg iemand over een gouden armband. „Nee hoor, heb ik al tijden.”
Wat in Amsterdam vaak betekende: sinds donderdagmiddag.
Misschien was die liefde voor goud en klokken niet alleen pronkzucht. Wie had meegemaakt dat huizen, winkels en banktegoeden konden verdwijnen, begreep de waarde van bezit dat desnoods in een binnenzak paste.
Door de week kwamen de mannen bij Sally Meyer voor een broodje halfom of halfvette. Daar werd gehandeld, maar bovenal werd over Ajax gesproken.
Heel. Veel. Ajax.
Ajax was geen voetbalclub maar een geloofsovertuiging.
Sjaak Swart had eerder moeten voorzetten, Piet Keizer later en Johan Cruijff was natuurlijk geniaal, hoewel de heren bij Sally Meyer vonden dat hij nog veel kon leren. Vooral van hen.
„Speelden ze zelf ook?”
„Nauwelijks.”
„Dat zijn altijd de beste trainers,” zegt Lilly.
Iedere wedstrijd werd tussen de broodjes volledig overgespeeld. Tussendoor konden vijftig herenmantels van eigenaar veranderen. „Negentig dagen?” „Honderdtwintig.” „Akkoord.”
Ik vermoed dat een overwinning van Ajax de Amsterdamse kredietverlening aanzienlijk heeft bevorderd. Wie voor Feyenoord was, moest waarschijnlijk contant betalen.
Op zondag verhuisde het gezelschap naar Schiller op het Rembrandtplein. Koffie was daar tevens beursbericht: wie deed goede zaken, wie had een nieuwe Buick of wie beweerde dat het slecht ging terwijl buiten zijn nieuwe auto stond?
Later volgde Américain op het Leidseplein. Niet om te slapen, maar om te kijken, praten en eten. En bij Extase, schuin aan de overkant, was het thé dansant, met muziek, dans, variété, een jongleur of goochelaar. Ik herinner mij Kali Kali nog, mijn grote favoriet. Kinderen speelden tussen de tafels terwijl hele families bijeen zaten.
„En werd daar ook gehandeld?”
„Waarschijnlijk.”
„Dus die goochelaar liet een konijn verdwijnen en opa ondertussen honderd regenjassen?”
Zo ongeveer.
In de zomer vloog men naar Zuid-Frankrijk. Opa en oma huurden soms een villa voor de hele misjpoge. De kinderen bleven, ouders vlogen tussendoor terug om te werken. Er gingen geen pannen en boterhammen uit Amsterdam mee. Men at in restaurants en op terrassen.
Misschien was dat meer dan luxe. Mensen die jarenlang niets hadden kunnen kiezen, wilden weer kiezen: een tafel in de zon, lekker eten en kinderen die onbekommerd zwommen. Niet alleen overleven, maar leven.
Daarom vraag ik mij af of er voorzichtig een lijn te trekken valt van de Sefarden die na vervolging in Amsterdam opnieuw begonnen, via de naoorlogse Joodse ondernemers, naar het huidige Tel Aviv na 7 oktober. Misschien lijken cafés en terrassen daar soms juist voller omdat mensen weigeren hun gewone leven eveneens te laten afnemen. Niet omdat verdriet en angst verdwenen zijn, maar omdat samen eten, ondernemen en lachen óók een antwoord kunnen zijn.
Lilly denkt even na.
„Dus een vol terras kan ook verzet zijn?”
„Misschien wel.”
De naoorlogse doorpakkers werkten uiteindelijk niet alleen voor een winkel, klok of vakantie. Ze wilden vooral dat hun kinderen het beter zouden krijgen: opleiding, veiligheid en keuzevrijheid. Daar hebben volgende generaties meer aan te danken dan ze misschien beseffen.
Hun grootste overwinning was niet de tweede winkel of de villa in Frankrijk. Het was dat Hitler geen gelijk kreeg.
Hij had hen willen uitwissen. Zij antwoordden met gezinnen, winkels, schmatte, stoffenmagazijnen, Ajax, volle terrassen en kinderen met een toekomst.
Niet iedereen kon opnieuw beginnen. Dat mogen we nooit vergeten. Maar degenen die het wel konden, maakten van overleven weer leven en van krediet weer vertrouwen.
Lilly kijkt mij aan.
„Dus Amsterdam werd herbouwd met wissels, schmatte en Ajax?”
„Zo ongeveer.”
„ Ze denkt even na. „En als ik vanavond een biefstuk bestel, kan dat dan ook op honderdtwintig dagen?”
„Nee.”
Lilly zucht. „Dan is er van die hele wederopbouw uiteindelijk toch weinig overgebleven.”
cover: Talma Joachimsthal
Geef als eerste een reactie