17 maart 2013
Het grindpad gaat over in een zandweggetje. Berel wist met een zakdoek z’n voorhoofd af. Hij moet even op adem komen. Ik vraag me af hoe oud deze Berel eigenlijk is. Zeventig jaar, tachtig? Voordat hij de zakdoek wegstopt, haalt hij een verfrommeld keppeltje tevoorschijn.
‘Kom Naftoli, nog een klein stukje.’ Na een volgende bocht staan we opnieuw voor een hek. Dit is een stuk lager dan het eerste waar we doorheen liepen. Waar brengt Berel me naartoe? Naar een begraafplaats?
We lopen voorbij een aantal matseiwes. ‘Nee, niet hier, deze bedoel ik niet’. Berel loopt een stukje door.
‘Hier, dit wil ik je laten zien.’ Berel bukt zich, pakt een kiezelsteentje op en legt het op het randje van een van de graven. ‘Weet je wie hier begraven ligt?’
Berels vinger glijdt zachtjes over de letters. ‘Wolf Edelstein, tweeëntwintig jaar oud. Kijk, hij was sergeant die sneuvelde tijdens een van onze oorlogen. Weet je wie hij was?’ Ik moet Berel het antwoord schuldig blijven. ‘Hij was een van mijn kleinzoons.’
Berel loopt nog een stukje door. ‘En deze? Chaim Katz. De zoon van mijn zuster. Die was al wat ouder. Ook omgekomen in de strijd’. Met een wijds gebaar zwaait hij in de richting van nog een aantal rijen stenen. Allemaal jonge soldaten hier uit Arad die hun leven hebben gegeven voor ons voortbestaan.’
Ik weet echt niet wat ik moet zeggen. ‘Naftoli, ik heb je gevraagd of je even vijf minuten tijd had. Die zijn nu wel om. Jij moet denk ik terug naar Jeroesjalajim. Kom’.
Ik weet nog niet waarom ik hier nou zo nodig met Berel naartoe moest. Maar ik hoef niet lang op een antwoord te wachten. ‘Kom Naftoli, geef me een arm. Ik ben moe. Laten we teruggaan. Ik weet dat jij en jouw vrienden op de jesjiewe nooit het leger in zullen gaan. En ik heb je al verteld dat ik dat best respecteer. Maar ik wilde je deze plek laten zien. Ik heb respect voor jou en je geloofsgenoten. Maar één ding mogen jullie nooit vergeten. Wij hebben onze kinderen en kleinkinderen opgeofferd. En dat doen we nog steeds. Maar jullie kennen geen grafstenen van jonge soldaten die hebben gevochten voor ons land. Een land waar jij nu ook mag wonen.
Naftoli, vergeet dat niet. Ik respecteer jullie. Ik vraag je vanwege mijn kleinzoon van wie je net het graf hebt gezien, en van al die andere soldaten die hier liggen en op honderden andere plekken in het land: toon respect voor hen.’
De bus laat nog even op zich wachten. Gedachten malen door mijn hoofd. Ik heb net afscheid genomen van Berel. Een zionist. Wat zou tattie ervan vinden dat ik zomaar met zo iemand naar een Beis Oilom ben gegaan?
Waar zionistische soldaten liggen begraven. Terwijl ik mezelf die vraag stel, weet ik natuurlijk het antwoord. Tattie volgt nu eenmaal de ideeën van zijn Rebbe. En die wil niks van dat gedachtengoed weten. Maar ikzelf? Ik zag net al die rijen stenen. Allemaal Joodse jongens die al heel jong zijn omgekomen. Wat doet dat met het zionist-zijn? Of misschien juist heel goed dat zij zionistisch denken. Iedereen hoeft het toch niet eens te zijn met wat tattie hiervan vindt?
Ik zie mezelf teruglopen, arm in arm met Berel en hoor opnieuw wat hij tegen mij zei. “Ik respecteer jullie. Ik vraag je vanwege mijn kleinzoon van wie je net het graf hebt gezien en van al die andere soldaten op honderden andere plekken in het land, toon respect voor hen!”
Al bukkend raap ik een klein steentje op. Ik kan nu niet terug naar de begraafplaats. Mijn bus kan er ieder moment zijn. Het steentje verdwijnt in de zak van mijn kaftan. In Jeroesjalajim zal ik op zoek gaan naar een plekje waar ook een soldaat ligt begraven.
De bus stopt bij de halte. Ik stap in. Vóór in de bus zijn wat lege plaatsen. Meer naar achteren zit een groepje soldaten. Schuchter loop ik daar naartoe. Naast een van die jongens is nog een plekje vrij. Ik ga daar zitten. De soldaat ziet er moe uit. Hij heeft een grote plunjezak op zijn schoot liggen. Hij schuift wat op om mij wat meer ruimte te geven. Ik kijk hem aan. Hij kijkt terug. In mijn beste Ivriet zeg ik.
‘Ik ben Toli’. Een beetje verbaasd reageert hij. ‘Mijn naam is Lior.’ Ik voel dat ik een knalrode kleur krijg. ‘Lior, skoich, a groise skoich. Voor wat je doet.’ ‘Skoich? Wat is skoich?’ Hij kijkt mij vragend aan. ‘Skoich betekent bedankt. Bedankt dat je onze soldaat bent’. Lior pakt mijn hand en zegt met een grote glimlach ‘Bewakasja’.
Ik voel met mijn andere hand of het steentje nog in mijn zak zit.
Matseiwes grafstenen
Beis Oilom Begraafplaats
Skoich Bedankt (Jiddisj)
Bewakasja (Ivriet) Geen dank, alsjeblieft.
Geef als eerste een reactie