Papa kreeg een baan als zilversmid bij het bedrijf Van Kempen & Begeer.
Zij maakten onder andere monstransen* voor de katholieke kerk van het Bisdom Utrecht. Maar daar had mijn vader echt helemaal geen zin in. Hij vroeg zijn baas om een gesprek. Hij vertelde dat hij Joods was, met de mededeling of hij aan de bisschop wilde vragen of een Jood een monstrans mocht maken.
*Een monstrans is een versierde gouden of zilveren houder in de Rooms-Katholieke Kerk. Hierin wordt een gewijde hostie tentoongesteld. Het woord stamt af van het Latijnse monstrare, ’tonen’.
Een dag later kwam het antwoord. Het is zeker niet wenselijk dat een Jood monstransen maakt. Mijn vader kreeg een andere baan. Hij werd goudsmid bij Juweliershuis Schaap in Utrecht om reparaties uit te voeren.
Mou Schaap was Joods en had twee juweliershuizen. De ander was Hofjuwelier Schaap in Den Haag op het Noordeinde naast het Paleis. De familie Hogervorst beheerde tijdens de oorlog de juwelierszaak van de familie Schaap zo netjes dat Mou Schaap de winkel als dank afstond aan de familie Hogervorst.
Ik was daar kind aan huis. Toen zij oud werden, smeekten zij me om de zaak over te nemen. Ik hoefde niets te betalen, natuurlijk wel de juwelen of het zilver na verkoop afrekenen.
zie deel 3 in deze serie: Vader komt aan in Nederland
Groothandel
Uiteindelijk ging de zaak op in het concern Schaap, Citroen en Van Gelder.* Na verloop van tijd merkte ik dat ik geen juwelier ben, ik kon me niet binden aan een winkel. Ik werd groothandelaar. Mijn leven bestaat uit beurzen en juweliers bezoeken overal in de hele wereld.
*Van Gelder uit Venlo begon als opticien met juwelen en ontwikkelde het groeibriljant systeem waarmee hij miljonair werd. In 1969 kocht eerst Schaap in Utrecht en twee jaar later Citroen in Amsterdam. Zo werd het Schaap Citroen en Van Gelder. In 1974 werd het bedrijf overgenomen en de naam ingekort tot Schaap en Citroen.
Sjoel Springweg
Mijn vader ging iedere morgen naar sjoel op de Springweg. Hij sorteerde de post. Er lag een brief bestemd voor I.Schächter. Maar dat was zijn neef die op zijn inreisvisum wachtte voor Amerika. Voor wie zou deze brief bestemd zijn? Een jongeman kwam naar de post kijken en pakte de brief voor I. Schächter.
‘Jules’, zei mijn vader, ‘deze brief is toch niet bestemd voor jou’? ‘Jazeker wel’. ‘Maar jij heet Jules’. ‘Dat is mijn goyse naam’ zei Jules, ‘ik heet eigenlijk Ietsje Schächter’.
Ik heb een neef uit Krakau met dezelfde naam, zei ik. Maar dat is ook mijn neef, zei Ietsje. Dus wij zijn familie? Ja.
Weet je dat onze neef en zijn vrouw hebben overleefd en wachten op de overtocht naar Amerika? Jules en zijn gezin werden onze buren in de straat waar wij nog steeds wonen.
Vriend en vrouw
Er kwam een bericht in sjoel dat er een Joodse man uit Krakau in de Oogheelkundige Kliniek in Utrecht lag. Mijn vader werd gevraagd deze man, Mosje Josef Silbiger, te bezoeken. Silbiger diende bij de Irene Brigade. In Afrika kreeg hij een paar klappen op zijn ogen en werd langzaam blind. Hij werd de beste vriend van mijn vader.
Silbiger trouwde in Den Haag en kreeg een dochter, Doba. Zijn vrouw had een zoon uit haar eerste huwelijk David Brodman, later de bekende rabbijn David Brodman.
Silbiger zei tegen mijn vader: zoek een vrouw en sticht een gezin. Hij kende wel een mooie vrouw in Amsterdam. Mijn vader maakte een afspraak met Salla Kleinberger. Zij was erg mooi maar sprak erg weinig.
Veel mannen zouden blij zijn met zo een vrouw. Mijn vader zocht verder. Hij kwam iemand tegen in Amsterdam die hem wilde voorstellen aan een alleenstaande dame. Mijn vader was in voor een relatie. Heer Mottel Weinstock arrangeerde een afspraak. Tot papa’s grote verbazing werd hij voor de tweede keer voorgesteld aan mijn moeder.
Als twee verschillende mensen mijn vader wilde voorstellen aan dezelfde vrouw, moest zij voorbestemd zijn voor mij, dacht mijn vader. Zij bouwden een gezin met vier kinderen, veel kleinkinderen en een mooi juwelenbedrijf.
Droom kwam uit
Mijn ouders kwamen uiteindelijk in Israël terecht waar hun grote droom uitkwam. Ruim veertien jaar hebben ze daarvan genoten. Zij hadden een prachtige woning tegenover Yad Vashem, aan het Jaär Jeroesjalim, het bos van Jerusalem. Zij zijn beide 84 jaar geworden en liggen begraven op Har Hamenoechot.
cover: Françoise Nick
Geef als eerste een reactie