Van 1710 tot 1714 was de Chacham Tsvi (de ‘Geleerde Tsvi’) opperrabbijn van Amsterdam. Hij was een van de belangrijkste rabbijnse autoriteiten van Europa.
Tsvi Hirsch Asjkenazi kreeg deze eervolle bijnaam van de Geleerde Tsvi naar zijn gelijknamige en invloedrijke Responsa (rabbijnse commentaren).
Aanvankelijk was rabbijn Asjkenazi zeer geliefd in Amsterdam, niet alleen in de Asjkenazische maar ook in de invloedrijke Sefardisch-Portugese gemeenschap. De rabbijnen van deze laatste gemeenschap waren zeer geïmponeerd door de Responsa die hij in 1712 in Amsterdam publiceerde. Zijn relatie met Chacham Salomon Ayllion, de Sefardische opperrabbijn, was aanvankelijk uitstekend.
Van vriend tot vijand
Opperrabbijn Ayllion en de Chacham Zvi werden echter, tegen de achtergrond van de beweging van de valse messias Sjabtai Tsvi, waarvan de aftershocks begin achttiende eeuw nog steeds voelbaar waren, gezworen vijanden.
De Chacham Tsvi bestreed namelijk de restanten van de Messiaanse beweging die in 1665 en 1666 alle Joden van de stad in de greep had, nadat vanuit het oosten het opwindende nieuws was gekomen dat Sjabtai Tsvi zou worden gekroond tot Messiaans koning.
Yosef Kaplan, emeritus hoogleraar Joodse Geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, wijst erop dat de asjkenaziem de messiaanse extase deelden van de sefardiem.
Vanwege de sterk ontwikkelde boekdruksector werd Amsterdam in korte tijd het distributiecentrum van de sabbatiaanse tikoeniem (boetegebeden) en Hebreeuwse, Spaanse en Portugese gebedenboeken.
Banvloek voor Chajon en daarna voor de Chacham Tsvi
Nechemja Chajon kwam in 1713 naar Amsterdam als afgezant van de Sabbattiaanse beweging en zocht steun bij de Portugese gemeenschap voor de verspreiding van zijn messiaanse geschriften.
De Chacham Tsvi en Mozes Chagiz, een Jeruzalemse afgezant die toen in Amsterdam was, spraken zich uit tegen Chajon en spraken zelfs de ban over hem uit.
Toen brak de hel los: opperrabbijn Ayllion, die connecties had met de volgelingen van Sjabtai Tsvi, wist de parnassiem van de sefardische gemeente aan zijn kant te krijgen. Zij besloten om de geschriften van Chajon goed te keuren en de ban uit te spreken over de Chacham Tsvi en Mozes Chagiz. Het gevolg was een bittere controverse tussen Ayllion en zijn aanhang enerzijds en rabbijn Asjkenazi en Chagiz anderzijds.
Dit liet de Chacham Tsvi geen andere keus dan zijn ontslag in te dienen. Zodoende verliet deze unieke geleerde reeds na vier jaar zijn Amsterdamse rabbinale positie.
Het stormachtige leven van de Chacham Tsvi
De Chacham Tsvi, in 1660 geboren in Moravië, bracht zijn jeugdjaren door in Alt-Ofen, het huidige Boedapest. Hij studeerde in Jesjiwot in Saloniki, Belgrado en Istanbul waar hij, ondanks zijn asjkenazische afkomst, de sefardische rabbijnentitel van ‘Chacham’ verkreeg. Ook de Amsterdamse sefardische opperrabbijnen dragen deze titel. Dit verklaart de anomalie van de naam Chacham Tsvi: de sefardische titel chacham, gekoppeld aan de naam (Tsvi) Asjkenazi.
Nadat hij zich opnieuw in Alt-Ofen had gevestigd, werden daar zijn vrouw en dochter door een kanonschot om het leven gebracht door het Oostenrijkse leger dat Alt-Ofen was binnengevallen. De Chacham Tsvi wist naar Sarajevo te ontkomen en werd daar tot Chacham benoemd.
Als gevolg van zijn grillige en koppige karakter heeft de Chacham Tsvi het als rabbijn nergens lang volgehouden. Dit verklaart waarom hij continue van standplaats als rabbijn veranderde. Zo werd hij na Sarajevo rabbijn in de zogenaamde drie kehillot van Altona, Hamburg en Wandsbeck. Na zijn Amsterdamse periode verbleef hij korte tijd in Londen. Daarna streek hij neer in Emden (de naam van zijn bekende en geleerde zoon was Jacob Emden die bekend stond als de Yaʿavetz (1697 – 1776), in Hamburg en Opatow in Polen. Tenslotte werd hij in 1718 benoemd tot rabbijn in Lemberg, waar hij na enige maanden overleed.
*zie het artikel van Ruben Vis: Gedreven Joods (1) Een drieluik over Bloeme Evers-Emden, die aan het begin van zijn artikel uitlegt dat Bloeme zich altijd presenteerde als Evers-Emden en dat ook haar zoon, rabbijn Raph Evers, zich terecht beroemt op deze afstamming uit dit rabbijnse geslacht uit Emden.
Chacham Tsvi Responsa
De Responsa van rabbijn Tsvi Hirsch Asjkenazi, die tegenwoordig nog vaak wordt geciteerd, zijn in de eerste plaats een reflectie van zijn stormachtige leven en zijn vele verblijfplaatsen. Dit verklaart de vele vragen uit alle delen van Europa die aan hem gericht waren: van Londen tot Lublin en van Hamburg tot Italië. De vragen richten de schijnwerper op de plaatselijke gewoontes en privileges van al deze locaties. Vanwege zijn verblijf in de havensteden Amsterdam en Altona bevatten zijn Responsa ook vele issues van de maritieme halacha.
Drie responsa handelen over de raadselachtige kwestie van het kippenhart. Het betreft een vraag over een kip waarbij, nadat de kip was geslacht, zou zijn vastgesteld dat er geen hart werd aangetroffen. Zijn sensationele beslissing dat zo’n kip koosjer was riep woedende reacties op uit de rabbijnse wereld, onder andere van de bekende Praagse rabbijn Jonathan Eybeschutz met wie Asjkenazi’s zoon Jacob Emden in latere jaren in de clinch lag.
Een esoterische vraag betrof een golem (een mythische mensfiguur, gemaakt van klei en tot leven gewekt door een rabbijn): kan een golem deel uitmaken van een minjan (een religieus quorum)?
Brugfunctie tussen de sefardische en de asjkenazische kehillot
Meerdere vragen betreffen de wederzijdse relaties tussen sefardiem en asjkenaziem. Een voorbeeld: mogen asjkenaziem bij de openbare Toralezing gebruikmaken van een sefardische Torarol? De Chacham Tsvi besloot om dit toe te staan.
De persoon van de Chacham Tsvi is naar mijn mening vooral interessant omdat deze unieke geleerde thuis was in de grote diversiteit van de Joodse gemeenschappen in Europa en een brugfunctie vormde tussen de sefardische en de asjkenazische kehillot.
Links: De Chacham Tsvi, Shailoth U’Teshuvoth [responsa], rechts: Responsa of the Chacham Tsvi (rabbijn Tsvi Ashkenazi), Zolkiev, 1767 – Vragen over Engeland.
cover: ’T Gesigt van de Portugeese en Hoogduytse Iodenkerken Amsterdam, circa 1752; Van der Laan en P. van Gunst. Bron: Joodse Canon, hoofdstuk over de Chacham Tsvi.
Geef als eerste een reactie