Zolang als ik mij kan herinneren is jazz mijn favoriete muziek. Ik ben er dan ook heel trots op dat ik een handshake away opgroeide van de iconische tenorsaxofonist Coleman Hawkins.
Dat heb ik te danken aan mijn vader zl”. Als jonge Amsterdammer ging hij in de jaren dertig naar een Amsterdams café waar de toen wereldberoemde Amerikaanse saxofonist Coleman Hawkins zou spelen. Mijn vader bleek de enige bezoeker waardoor ‘de Hawk’ en hij met elkaar in gesprek raakten.
Tijdens mijn bezoek aan de tentoonstelling in het Stadsarchief Jazz-jaren, mensen, migratie en muziek in Amsterdam, 1930-1939 moest ik aan deze anekdote denken. Hawkins krijgt terecht in deze bijzondere tentoonstelling veel aandacht.
Behoefte aan vertier
Na de Eerste Wereldoorlog in de roaring twenties ontstonden rond het Leidse- en Rembrandtplein uitgaanscentra met dancings, restaurants en theaters. In de jaren na de beurscrash van 1929 namen in Duitsland en Italië nazi’s en fascisten de macht over. Vluchtelingen, waaronder veel kunstenaars en musici uit Duitsland en Oost Europa, zochten een veilig onderkomen in Amsterdam. Er was, misschien juist door de onrust in de wereld, een grote behoefte aan vertier. Het is in deze context dat jazz, toen vaak het equivalent van dansmuziek, ongekend populair werd.
Amsterdam was in die tijd een bruisende havenstad. Jaarlijks deden zo’n vijftienhonderd schepen de hoofdstad aan. Veel zeelieden hadden in de ‘zwarte’ wijk Harlem, New York, jazz leren kennen en waarderen. Jazz in Nederland was voordien vooral muziek voor de happy few.
Wat bijdroeg aan de doorbraak van de jazz naar een groot publiek in de jaren dertig waren de concerten van Louis Armstrong, Duke Ellington en Cab Calloway, de ‘Hi Die Ho man’. Concerten vonden onder meer plaats in het Amsterdamse Carlton Hotel.*
*Terzijde: Armstrong hoort een beetje bij ‘ons’: het verhaal gaat dat hij, deels opgevoed in een joods gezin, Jiddisch sprak en als dank voor zijn pleegouders zijn hele leven een Magen David droeg.
Coleman Hawkins met Leo de la Fuente
De eerder genoemde tenorist Coleman Hawkins, geboren in Missouri, toerde door Europa met de band van Engelsman Jack Hylton. Maar als de band in 1935 naar Duitsland gaat, waar hij als man van kleur niet mag spelen, blijft hij in Amsterdam. Hij zal er een jaar of drie blijven. Hawkins speelt in tal van formaties, zoals onder meer bij de honderd jaar geleden opgerichte Ramblers. Hij speelde ook met de joodse pianist Leo de la Fuente (Amsterdam, 28 maart 1902 – Midden-Europa, 30 april 1944), net als dandy de ‘Hawk’ opvallend keurig in het pak.
Hawkins wordt de mentor van vele musici. De latere bandleider, toen nog trompettist, Boy Edgar: “Hawkins heeft mij geleerd jazz te spelen”. Overigens: Edgar, niet alleen musicus, maar ook arts en onderzoeker, is voor zijn verzetswerk geëerd door Yad Vashem.
Surinaamse musici
Jazz werd in die dagen vereenzelvigd met zwarte Amerikaanse musici. Die waren er weinig of niet in Nederland. Wel waren er Surinaamse musici van kleur die goed begrepen dat ditmaal hun huidskleur een voordeel was.
Lodewijk Parisius, geboren in Paramaribo, werd bekend en geliefd als de saxofonist Kid Dynamite evenals Theodorus en Alexander Kantoor naam maakten als Teddy Cotton (trompet) en Eddy Cotton (bas). Andere Surinaamse Nederlanders vonden emplooi in de horeca, of verdienden bij als model.
Fotograaf Cas Oorthuys heeft, te zien op de tentoonstelling, Dynamite en de broers Cotton fraai vereeuwigd.
Joodse musici
Net als in de VS, waar Benny Goodman, Stan Getz of Artie Shaw furore maakten, waren er in Nederland relatief veel joodse musici die de jazz omarmden. Zo was daar pianist Leo de la Fuente, de rietblazers Hans Mossel en Sal Doof en pianist Max Pohla (Polak). Pohla werd later gedecoreerd als lid van de Prinses Irene brigade.
De in Berlijn geboren pianist Rolf Goldstein en percussionist Maurice van Kleef waren andere bekende joodse jazzartiesten. Belangrijk was ook trompettiste Clara de Vries (Schoonhoven, 31 december 1915 – Auschwitz, 22 oktober 1942) een van de eerste vrouwelijke bandleiders. Zij werd door Louis Armstrong himself gecomplimenteerd: Oh boy, she could play that horn!
Clara was getrouwd met trompettist Willy Schobben. Clara’s broers, bassist Jack de Vries en trompettist Louis de Vries waren ook actief in de jazz. Beide waren betrokken bij de oprichting van de Ramblers. Van de genoemde joodse musici zouden alleen Pohla, Goldstein en Jack de Vries de oorlog overleven. Louis de Vries kwam in 1935 om bij een auto-ongeluk. Van Clara de Vries is, terecht, een groot portret te zien op de tentoonstelling. De leider van de Ramblers Theo Uden Masman werd na de oorlog bestraft omdat het orkest was blijven doorspelen, hij kreeg wel strafvermindering omdat hij de ondergedoken joodse bandleden had geholpen.
Onverholen racisme keert zich tegen de jazz
Wat mij onaangenaam trof op deze tentoonstelling: het onverholen racisme waarmee door autoriteiten neergekeken werd op de muziek en de zwarte musici.
Het is uiterst pijnlijk te lezen wat hoofdcommissaris Versteeg en burgemeester De Vlugt schreven over hun medeburgers van kleur. Zo wilde Versteeg de ‘negercabarets’ sluiten. Het racistisch-moralistische stadsbestuur vreesde ‘zedenverwildering’ en vond de uit Amerika overgewaaide jazzmuziek atonaal en verwerpelijk.
Onwillekeurig vraag je je af of de coöperatieve houding van veel gemeenteambtenaren tijdens de Tweede Wereldoorlog niet door dit onverholen racisme is gevoed.
Vijzelstraat: historische jazzgrond
Wie na deze boeiende tentoonstelling door de Vijzelstraat loopt bevindt zich op historische jazzgrond. Het Carlton hotel, het epicentrum van de vooroorlogse jazz in Amsterdam ligt min of meer naast het Stadsarchief. En de toentertijd beroemde clubs zoals La Gaité, gevestigd in het Tuschinski theater, bevinden zich op korte loopafstand.
Een aanrader deze tentoonstelling en de mooi uitgevoerde catalogus. Er zijn ook gratis educatieve boekjes beschikbaar en er is een interessant programma met lezingen en concerten.
Meer info: Jazz-jaren in Amsterdam; tot en met 13 september 2026; Stadsarchief Amsterdam.
cover: fragment uit Jazz van Nola Hatterman, 1934
Geef als eerste een reactie