Twee jaar geleden, met de oorlog in Gaza in volle gang, bekladde iemand het straatnaambordje van het steegje dat sinds 1992 in de Amsterdamse Pijp naar Jacob Israël de Haan is vernoemd.
Geen sinecure, want het bordje hangt hoog aan een wankele paal. Toch plakte iemand vier stickers over het woord ‘Israël’. Is dat woord zo aanstootgevend dat het zelfs niet meer mag voorkomen in de naam van een Joodse activist die honderd jaar eerder door zionisten werd vermoord, omdat hij Arabische nationalisten steunde en zich tegen een Joods thuisland keerde?
James Baldwin schreef ooit dat de onwetendheid achter intolerantie niet alleen praktisch is, maar bijna heilig: als ik jou werkelijk ken, ben ik misschien mezelf niet meer. Om moreel zuiver te blijven, moet je de ander soms juist niet goed kennen. Dat is een ironische gedachte als het over De Haan gaat, die al tijdens zijn leven een raadsel was en dat tot op de dag van vandaag is gebleven. Juist daarom schuilt er een les in zijn leven.
Homoseksueel, orthodox en zionist
De Haan was een Amsterdamse dichter en romanschrijver, onderwijzer en advocaat, homoseksueel en orthodox zionist. Hij ging in 1919 naar Palestina, verwierp kort daarna het idee van een Joodse staat, bleef orthodox-religieus en werd in 1924 op straat in Jeruzalem doodgeschoten.
Antizionistische ultraorthodoxe Joden in Israël vereren hem nog altijd als een held. Zij streden tegen de ‘goddelozen’ die een seculiere staat in Palestina wilden vestigen. Israël zou volgens hen pas herrijzen wanneer ‘de Masjiach’ komt, niet door mensenwerk. In Mea Shearim wordt De Haan op zijn jaartijd herdacht en pelgrimeert men naar zijn graf.
Homoactivisten zien in hem juist een pionier van de homobeweging, met een ereplaats op de Amsterdamse Westermarkt (naast de gelijknamige kerk) waar De Haans tekst prijkt: Naar Vriendschap Zulk Een Mateloos Verlangen.*
*Zie: over het Homomonment en jaarlijkse Jacob Israël de Haanlezing
Het Palestijnse labyrint
Ludy Giebels biedt in Jacob Israël de Haan in het Palestijnse labyrint een intelligente, invoelende en zelfverzekerde blik op De Haans laatste jaren, in een land dat nog geen Israël was, een tijd waarin oude dromen herleefden en botsten met een moderne, seculiere wereld. Ze laat zien dat De Haan een uiterst complexe man was, met evenveel vrienden als vijanden. Zonder partner, zonder vaste carrière, zonder werkelijk thuisland, blijft hij een raadsel. Wie dat raadsel ontrafelt, leert misschien iets wezenlijks over het raadsel dat Joden voor de buitenwereld blijven vormen en misschien ook iets over zichzelf.
Joodse Lawrence of Arabia
Decennialang deden geruchten de ronde dat wraakzuchtige Arabieren, die hadden gehoord over De Haans contacten met Arabische jongens, achter de moord zaten. Er bestond ook het vermoeden dat de dader onder zionistische tegenstanders moest worden gezocht. Uiteindelijk bleek de moordenaar een Joods-Oekraïense activist die in opdracht van de Haganah (het Joodse leger voordat de staat Israël bestond) had gehandeld.
Aandacht kreeg De Haan tijdens zijn leven genoeg: vanwege zijn bemoeienis met het opkomende Arabische nationalisme werd hij ‘de Joodse Lawrence of Arabia’ genoemd.
De eerste biografie verscheen in 1967, van de hand van Jaap Meijer; een tweede volgde in 2015 van Jan Fontijn. Zijn gedichten en romans kregen ruime wetenschappelijke aandacht, evenals zijn politieke en journalistieke rol. Maar naar zijn jaren in Jeruzalem heeft tot nu toe niemand grondig gekeken. Giebels’ archiefwerk en haar kennis van het naoorlogse Palestina zijn zowel uniek als meeslepend.
De Haan werd in 1881 geboren in Smilde, bij Assen, en groeide op in Gorredijk en Zaandam. Hij redigeerde de kinderbijlage van de socialistische krant Het Volk, maar zijn reputatie vestigde (en verloor) hij met de roman Pijpelijntjes uit 1904. Het was een van de eerste romans met openlijk homoseksuele personages, zonder schaamte of spijt.
Vergelijkbaar met Oscar Wilde
Dat Pijpelijntjes zijn loopbaan als onderwijzer en redacteur ruïneerde, is goed voorstelbaar. Moeilijker te begrijpen is dat hij zich rond diezelfde tijd weer tot het orthodoxe jodendom bekeerde. De Haan omarmde tegenstrijdigheid en controverse, vergelijkbaar met Oscar Wilde, die later eveneens gelovig werd. De Haan was door en door modern en kosmopolitisch én orthodox-joods; openlijk homoseksueel én getrouwd met een niet-joodse vrouw.
Giebels beschrijft manische en depressieve episodes – wat we nu bipolaire stoornis zouden noemen – die zowel oorzaak als gevolg waren van deze innerlijke spanning. Na de dood van zijn moeder hoorde hij stemmen en had hij visuele hallucinaties.
De Haan werd lid van de Nederlandse Zionistenbond, leerde Hebreeuws, publiceerde de bundel Het Joodsche Lied (1915) en noemde zichzelf de dichter van Joods Nederland. Daarnaast begon hij een rechtenstudie die hij in 1916 afrondde – al vond een van zijn examinatoren zijn scriptie niet academisch genoeg.
Vertrek
De oplossing voor zijn professionele en religieuze impasse was alija (‘opgaan’ naar het beloofd land, het toenmalige Palestina). Hij maakte die sprong in 1919 zonder zijn vrouw, die als atheïste weigerde zich te bekeren tot het Jodendom. Vermoedelijk waren velen die worstelden met deze omstreden figuur opgelucht toen hij vertrok.
De Haan hoopte hoogleraar rechten te of anders Nederlands consul, maar hij had geen verblijfsvergunning, zijn Hebreeuws was gebrekkig en zijn Arabisch nog beperkter. Uiteindelijk werd hem toegang tot Jeruzalem verleend. Hij verdiende zijn brood als correspondent voor het Algemeen Handelsblad, met kritische stukken over zijn Joodse buren, terwijl hij bekendstond als vurig zionist. Hij werkte als jurist voor de Haganah, was juridisch adviseur van Ze’ev Jabotinsky en doceerde aan de Jerusalem Law Classes, een Brits opleidingsinitiatief voor ambtenaren.
Gevangen tussen het Ottomaanse Rijk en Europese ambities
De Haan hoopte dat Palestina zijn gespleten ziel zou helen, maar in een sterk verdeelde stad werden de spanningen tussen zijn seksualiteit, zijn geloof en zijn politiek alleen maar scherper. In Amsterdam worstelde hij met eenzaamheid. In Jeruzalem vond hij enige verlichting toen hij introk bij een Arabische familie, in hun tuinhuisje.
Het was een uiterst complexe, explosieve situatie in de jaren twintig. Palestina en zijn bewoners, Joods en Arabisch, zaten gevangen tussen het wegkwijnende Ottomaanse Rijk en Europese ambities. Mensen als De Haan wisten dat het idee van ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ naïef was, op zijn zachtst gezegd. Voor de Balfour-declaratie bestond een gespannen maar redelijk vreedzame coëxistentie tussen Joden en Arabieren, daarna volgde een periode van geweld en vergelding die tot op vandaag voortduurt.
Bekering tot antizionist
Voor De Haan waren de scherpste tegenstellingen die tussen Joden onderling: orthodox versus seculier, zionist versus antizionist. Hij onderging een soort bekering tot dat laatste kamp en werd al snel een van de meest prominente stemmen binnen de orthodoxe antizionistische beweging Agoedat Jisrael, geleid door de Hongaars-charedische rabbijn Yosef Chaim Sonnenfeld. Voor Sonnenfeld – en voor De Haan – was zionisme niet alleen theologisch verwerpelijk, maar ook praktisch gevaarlijk.
In zijn journalistiek, toespraken en straatdebatten trok De Haan fel van leer tegen de zionistische leiding, die hem niet langer zag als excentriekeling met een zwak voor Arabieren, maar als persona non grata en vijand van alle Joden.
Grondig archiefonderzoek
Giebels heeft grondig archiefonderzoek verricht, in Europa én Israël, en toont een feilloze kennis van het naoorlogse Jeruzalem. Ze put niet alleen uit de honderden feuilletons die De Haan in Palestina schreef – soms teder, soms bitter, soms grillig – maar ook uit officiële en privécorrespondentie. Haar meertalige, genuanceerde blik helpt de lezer grip te krijgen op deze zware, tegenstrijdige nalatenschap. Ze laat zien dat De Haan minder geïsoleerd was dan vaak wordt aangenomen: hij stond de Arabische eigenaren van zijn tuinhuisje na als familie en onderhield goede banden met vooraanstaande leden van de Joodse gemeenschap in Jeruzalem, onder wie Moshe Wallach, directeur van het Sha’arei Zedek-ziekenhuis, Abraham Goldsmit van het Schneller-weeshuis en Annie Landau, directrice van de Rothschild School for Girls.
Prijs van het verraad
De kern van het boek draait om De Haans optreden als onofficieel gezant van Agoedat Jisrael, met de nadruk op twee gebeurtenissen die zijn lot bezegelden. Het eerste was het bezoek van de Britse persmagnaat Lord Northcliffe in 1922 die de situatie in Palestina kwam beoordelen. De zionisten wilden hem een beeld tonen van Joodse eensgezindheid; De Haan profileerde juist het antizionisme. In hun ogen puur verraad. Zijn studenten werden aangespoord om zijn lessen te boycotten en zijn werkgever moest hem in het najaar van 1923 ontslaan.
De tweede omsterden gebeurtenis was zijn ontmoeting, samen met Sonnenfeld, begin 1924 in Transjordanië met Hoessein bin Ali en diens zoon Emir Abdoellah, kort daarop koning van Transjordanië.
Ditmaal ging De Haan verder dan ooit: hij steunde openlijk een Palestijnse staat als onderdeel van Transjordanië en schreef in de Daily Express dat Hoessein had beloofd alles in het werk te stellen om te voorkomen dat de ‘goddeloze’ zionisten een Joods nationaal thuis zouden stichten.
Voor de zionistische leiding was dit ronduit samenzweren met de vijand; zij vermoedden dat De Haan Hoesseins standpunt bewust had verdraaid. De leider van de zionistische delegatie noemde hem “een dolle hond wiens grootste genoegen het is zijn eigen soort te bijten.” Een rectificatie werd geëist en gegeven – te laat en niet toereikend.
Doodgeschoten
In werkelijkheid hadden alle partijen belang bij de vraag hoe Joods een Joodse staat moest zijn, wie de Joden internationaal zou vertegenwoordigen, welke rol de door de band met Engeland gecompromitteerde Hasjemitische dynastie na de val van het Ottomaanse Rijk zou spelen, wie de nieuwe grenzen zou trekken, wie de economische herverdeling zou regelen, wie de Arabische en moslimwereld zou vertegenwoordigen – en hoe Engeland toegang zou krijgen tot olie, destijds al belangrijker geacht dan water.
De Haans feuilletons werden steeds beschuldigender en paranoïder, zijn kritiek op de zionisten obsessief en roekeloos. Bijna dagelijks veroordeeld, lastiggevallen en bedreigd, werd hij op 30 juni 1924 doodgeschoten voor de ingang van het Sha’arei Zedek-ziekenhuis, vlak nadat hij er kaddisj had gezegd voor zijn vader.
De schuld werd aanvankelijk bij antisemitische en homofobe Arabieren gelegd – al wisten velen beter ook al werd de waarheid pas decennia later bevestigd: het bevel kwam van Haganah-commandant Yitzchak Ben-Zvi, de latere president van Israël. Giebels doet wat ze kan, maar veel blijft onbekend: er kwam geen officieel onderzoek, mogelijk werd bewijs vernietigd, en niet alles zullen we ooit weten.
Naar verluidt kwamen duizenden mensen naar zijn begrafenis, al waren er – net als bij zijn vertrek uit Nederland vijf jaar eerder – zeker mensen opgelucht hem voorgoed uit te wuiven.
Anderen zagen er een zekere genade in: De Haan had bijna alle bruggen achter zich verbrand en zou anders wellicht in een psychiatrische inrichting zijn beland of zelf een moord hebben gepleegd. Een van zijn beste vrienden weet de schuld aan de zionistische politiek, die “een toch al niet-normale geest had ontregeld.”
De Haan als martelaar
Een eeuw later houdt De Haan ons nog altijd bezig en niet alleen om Pijpelijntjes, een roman die nog altijd wordt gevierd als de eerste openlijke roman over homoseksualiteit. De ultraorthodoxe Neturei Karta-beweging, die zionisme als een onheilige greep naar de messiaanse geschiedenis beschouwt, weigert Hebreeuws te spreken, staat nooit op bij het Hatikwa, stemt op Palestijnse partijen en demonstreert arm in arm met Hamas. Deze kleine, maar zichtbare beweging ziet in De Haan een martelaar die zich opofferde voor de Tora-vrije Joden.
Toen én nu was de politieke situatie in Jeruzalem lelijk, vuil en gevaarlijk. Toen én nu was de Joodse gemeenschap diep verdeeld. Toen én nu is niets in het Midden-Oosten louter lokaal.
Een gespleten ziel
Giebels, die eerder een boek over het Nederlandse zionisme van voor de Tweede Wereldoorlog schreef, noemt De Haan een gespleten ziel. Maar was het niet veeleer het Jodendom zelf dat verdeeld was en nog altijd is?
Dát maakt De Haan zo blijvend relevant, niet alleen om zijn gedichten en romans, maar om zijn ideeën. Met dit boek, deels biografie, deels geschiedschrijving, helpt Giebels ons begrijpen wat Freud een ‘oververzadigde persoonlijkheid’ noemde, in relatie tot een even verzadigd als overbestemd land.
Sint-Willibrordusplein
Voor zijn vertrek in 1919 woonde De Haan aan het Sint-Willibrordusplein. De door Cuypers ontworpen kathedraal die daar stond, is inmiddels vervangen door een bejaardentehuis, maar het voormalige priorijgebouw staat er nog, nu een actieve moskee. Verderop in de straat, tegenover de fietsenmaker op de hoek van het plein, staat nog een moskee. In de buurt is ook een tatoeageshop, een yogastudio en een Turkse kleermaker. Vlakbij is de Gerard Doesjoel met nog altijd een orthodox minjan.
Kortom: een typisch Amsterdamse buurt. Wellich had De Haan zich er volkomen thuisgevoeld.
Ludy Giebels, Jacob Israël de Haan in het Palestijnse labyrint, 1919-1924, Amsterdam University Press, 2024
Jonathan Gill: Giebels’ archiefwerk en haar kennis van het naoorlogse Palestina zijn zowel uniek als meeslepend.
cover: poster Jacob Israel de Haan bij tentoonsteling Groninger Synagoge, 2024
Geef als eerste een reactie