Achter op de Harley door de wereld van de Amsterdamse Hells Angels

logo Ephraim vertelt, met twee diamantjes op de i

In de jaren zeventig raakte ik bevriend met Tonio Hildebrand, u weet wel, die autocoureur. Ik kwam in de racewereld terecht via mijn Eindhovense vriend Toine Hezemans.

Tonio was een omstreden figuur. Een bon vivant, tweedehands autohandelaar en sjacheraar. Zijn motto: ‘Garantie tot het eind van de deur.’ Maar hij was ook de organisator van de Koetsentocht voor het Corps Diplomatique door Amsterdam, een jaarlijkse tocht die nog altijd plaatsvindt. Tonio Hildebrand (20-09-1930 – 26-08-2005) was een prachtig uitziende man, altijd tot in de puntjes gekleed, met een mooie pochette in zijn colbert en een grote sigaar tussen zijn lippen.

Hij was de broer van Anton Hildebrand, de schrijver van Bolleke de Beer. Wie las dat boek niet in zijn jeugd?

Tonio had een enorm netwerk. Hij was een echte BN’er, een goede vriend van Prins Bernhard, maar ook van Willem van Boxtel, alias Big Willem, de grote baas van de Hells Angels.

De verjaardagen van Tonio waren spraakmakend. De bezoekers waren een afspiegeling van de Nederlandse samenleving: importeurs van bekende automerken, directeuren van veilinghuizen, een commissaris van politie, politici, de vuilnisophaler, de sigarenman, vastgoedbazen en handelaren.

Ik werd voorgesteld aan Fred, de rechterhand van Big Willem. Fred was een huisvader, getrouwd en vader van vier kinderen. Hij nodigde me uit voor een bezoek aan hun clubhuis.

Groothandel in bedrukte stoffen

Een van de eerste Hells Angels-honken was gevestigd aan de Oudezijds Voorburgwal. De kelder grensde aan de groothandel in bedrukte stoffen van mijn schoonvader, Bruno Loewenberg z’l. Mijn schoonvader had goed contact met de jongens. Ze deden allerlei klusjes voor zijn bedrijf. Ze waren ontzettend behulpzaam en aardig. 

Dat werd mij onlangs bevestigd door een oudere dame, een overbuurvrouw van hen, die ik toevallig bij een van mijn klanten ontmoette. Ze is ver boven de tachtig en woont daar nog steeds.

Een jaar later, weer op een verjaardag van Tonio, nodigde Fred mij opnieuw uit. Een paar maanden later belde hij.

‘Heb je tijd voor een uurtje of twee?’

‘Ja.’

‘Ik sta om de hoek van de Diamantbeurs. Om niet te veel op te vallen, kom maar naar me toe.’

Ik sloot mijn kantoor en was binnen tien minuten bij hem. Fred zat op zijn grote, indrukwekkende Harley-Davidson op mij te wachten.

‘Ik heb wat voor je meegenomen.’

‘Het gaat niet om geld’, verhalen van Tonio Hildebrand, geredigeerd door Martin van Amerongen

Kuttevest

Ik kreeg een leren Hells Angels-vest aan, met opschrift op mijn rug. De officiële naam van zo’n leren vest zonder mouwen komt uit het Duits: Kutte of Kuttevest.

‘Ik heb een leuke rit gepland. Spring maar achterop.’

Met een helm op mijn kop en het authentieke vest aan mijn lijf reden we rustig van mijn kantoor aan de Hogehilweg in Zuidoost naar de binnenstad. Niet sneller dan 35 à 40 kilometer per uur.

We kwamen toevallig in de Spiegelstraat, waar ik verschillende klanten heb. Marjan Sterk stond voor haar winkel.

‘Stop even hier bij die dame’, zei ik tegen Fred.

Ze schrok zich wezenloos toen ze twee Hell’s Angels in vol ornaat zag. Voordat ze van de schrik was bekomen, zei ik: ‘Ik heb je wat aan te bieden, Marjan.’

Ze keek me aan en schoot in een daverende lach. ‘Ephraim, wat doe jij in godsnaam hier als Hell’s Angel?’

Uit mijn borstzakje haalde ik een lotje met een diamant. Midden op straat maakte ik het demonstratief open en liet haar de inhoud zien. Marjan koopt alleen maar juwelen, maar het was een grapje.

‘Hoe durf je dat te doen.’

‘Nu ben jij beschermd voor de komende tijd. Iemand die connecties heeft met de Hell’s Angels hoeft niets meer te vrezen.’

We namen lachend afscheid.

Klein maar Dapper

Na ruim een uur door de stad te hebben gereden, zei Fred: ‘Nu heb ik een verrassing voor je. Je gaat iemand ontmoeten die voor mij zeer bijzonder is.’

We reden de Oude Hoogstraat in. Mijn grootvader en moeder hadden voor de oorlog om de hoek, in de Jodenbreestraat, een schoenenwinkel. Na de oorlog had mijn tante Lien Blaugrund-Klein met mijn oom, haar man, een stoffenzaak in de Oude Hoogstraat, naast de winkel van de familie Ehrlich, de ouders van Benno z’l.

‘Klein maar Dapper’, dat was de naam van hun stoffenwinkel.

Nu zit daar een bekende fourniturenwinkel van mevrouw Boeken, de moeder van André, met wie ik samen bij Maccabi-zwemmen zat in het Sportfondsenbad Oost.

Fred stopte bij de winkel.

‘Afstappen.’

‘Wat gaan we hier doen?’

‘Ik wil je voorstellen aan een goede kennis van mij, mevrouw Boeken.’

Tijdens de oorlog was zij in Auschwitz. Ze heeft nog de kampnummers op haar arm getatoeëerd.

Ik keek Fred verbaasd aan. Mijn vader was ook in Auschwitz en had dezelfde nummers op zijn arm. Ik ken de familie Boeken al bijna mijn hele leven. Ik zat met haar zoon André op zwemles. Fred was helemaal teleurgesteld. 

Big Willem – midden – en Hells Angels Amsterdam, screenshot uit video

Koffie en boterkoek

André kwam net aanrijden op zijn motor. ‘Hé Ephraim, dat is lang geleden.’

Ik vertelde over de reden van ons bezoek. Hij begon te lachen.

‘Erg aardig van Fred.’

Fred heeft zijn hart op de goede plek. We kregen koffie en een stuk boterkoek van mevrouw Boeken, die ons hartelijk bedankte voor het bezoek.

We stapten weer op en reden richting Zuidoost. In de buurt van de Bijlmerbajes zag Fred een man lopen met een plastic zakje in zijn hand. Hij stopte.

‘Hé Fred.’ ‘Hi Erik, hoe gaat het met jou?’

‘Ik ben net vrij. Heb twee jaar gezeten en ben nu onderweg naar huis.’

‘Ik wens je het allerbeste’, zei Fred. ‘Dit is mijn maatje Ephraim. Wij hebben net een ritje gemaakt.’

‘Het ga je goed, tot ziens.’

We reden verder naar Angel’s Place aan de Wenckebachweg.

Het hek schoof open en we reden de grote binnenplaats op. ‘Wees welkom, Ephraim.’

Fred nodigde me binnen in een soort groot, bruin café. Aan de muren prijken insignes, vanen en foto’s van clubs uit de hele wereld. Het was kleurrijk en voelde warm aan.

Op de binnenplaats waren mannen bezig met het sleutelen aan hun motoren. Ik kreeg een biertje aangeboden en een rondleiding over het terrein. Overal lagen motoronderdelen en gereedschap. Iedereen had dezelfde hobby: motoren.

Het zag er allemaal vredig uit. Iedereen was aardig tegen mij en tegen elkaar. Het was een hechte familie. Veel leden hadden gezinnen met kinderen en gewoon werk.

Maar ze werden ook ingehuurd voor criminele praktijken, weet ik uit de pers. Inmiddels is de club verboden en wordt zij beschouwd als een criminele organisatie.

Na het bezoek aan Angel’s Place werd ik netjes naar mijn kantoor gereden. Ik was een ervaring rijker.

Veel dank aan Fred voor dit inkijkje in een wereld die niet de mijne is.


cover illustratie Françoise Nick

Over Ephraïm Goldstoff 110 Artikelen
Ephraïm Goldstoff (1949) groeide op in de oude Joodse Plantagebuurt tegenover Artis. Na het Maimonides volgde hij verschillende opleidingen in de diamantwereld. Goldstoff vervult vele bestuurlijke functies onder meer voor Bnei Akiwa, Oost-Joods Verbond, OSE (Organisation Secours aux Enfants), Young Leadership CIA, The Feuerstein Institute (Jerusalem). Hij is bestuurslid van Maccabi tennis en van de RAS (Rav Aron Schuster Synagoge) en de Stichting Eerherstel Joodse Begraafplaats Zeeburg. Goldstoff is voorzitter Stichting Naleving Washington Principles, raadslid NIHS, lid ledenraad Joods Maatschappelijk Werk, voorzitter Stichting Dutch Friends of The Feuerstein Institute. Ephraïm Goldstoff is zelfstandig ondernemer in oude en antieke juwelen en edelstenen. Nog steeds werkzaam en kantoorhoudend in de Diamantbeurs.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*