Wie niet bang is, kan zelfs de grootste reus verslaan

Parasjat Devariem / Tisja Be’av

beeldmerk Parasja in blauw met gele en rode stip

In deze parasja, die jaarlijks voorafgaand aan Tisja Be’av wordt gelezen, worden twee verhalen opnieuw verteld: het verhaal van de verkenners en van de strijd tegen de koningen Sichon en Og. 

Beide verhalen kwamen we eerder tegen in sefer Bemidbar, het vorige boek van de Torah. Ze hangen samen en wijzen ook vooruit naar Tisja Be’av.

Onder leiding van Mosjé Rabbenoe strijden Benei Jisraël eerst tegen Sichon, de koning van Chesjbon: met hulp van Hasjeem verslaan ze hem en nemen ze zijn land in. Vervolgens trekt Og, de koning van Basjan, tegen hen ten strijde. 

Hierop zegt Hasjeem tegen Mosjé: al-tira oto, vrees hem niet, want je zult hem net als Sichon verslaan (3:2). Dit roept de vraag op: waarom zei Hasjeem dit niet over Sichon? Vreesde Mosjé alleen Og? Maar waarom dan?

Volk van reuzen 

Op het eerste gezicht lijkt Og inderdaad een vreeswekkende figuur te zijn geweest. Volgens onze parasja was hij de laatste overgeblevene van de Refaïeten, een volk van reuzen dat vroeger op aarde woonde (3:11). De Midrasj zegt dat Og de zondvloed overleefde door zich aan de ark van Noach vast te klampen. Of zelfs doordat het water niet hoog genoeg kwam om hem te verdrinken. 

Onze parasja vertelt dat zijn bed van ijzer was (3:11); de Ramban legt uit dat dit zo was omdat er geen hout was dat sterk genoeg was om zijn gewicht te dragen.

Niets te vrezen?

Toch kan dit alles niet verklaren waarom Mosjé, die Benei Jisraël in de Torah meermaals oproept om niet bang te zijn, Og zou hebben gevreesd. Was Mosjé er niet van overtuigd dat Hasjeem altijd aan de kant van Benei Jisraël stond en ze dus niets te vrezen hadden van welke sterveling dan ook?

Rasji legt uit dat Mosjé vreesde dat Hasjeem Og zou bijstaan, omdat Og eerder een goede daad voor Avraham Avinoe zou hebben gedaan. 

Nadat Lot, de neef van Avraham, was ontvoerd door de koning Kedorla’omer en zijn bondgenoten, zou Og dit aan Avraham hebben verteld (Beresjiet 14:13). Daarop kon Avraham met hulp van zijn leerlingen Kedorla’omer verslaan en Lot bevrijden. 

Het motief van Og was hierbij echter niet zuiver: hij hoopte dat Avraham zou omkomen in de strijd zodat Og met Sarah zou kunnen trouwen. Hierop zei Hasjeem tegen Og dat hij als beloning voor zijn goede daad lang zou leven (uiteindelijk meer dan achthonderd jaar), maar dat hij als straf voor zijn slechte intentie zou worden gedood door de nakomelingen van Avraham en Sarah, ofwel Benei Jisraël. Dit verklaart waarom Mosjé bang was voor Og en waarom Hasjeem hem vertelde niet voor hem te vrezen.

Onze parasja vertelt vervolgens dat Mosjé en Benei Jisraël Og inderdaad verslaan. De Talmoed (B. Berachot 54b) vertelt hierover een mooi verhaal. 

Og trok tegen Benei Jisraël ten strijde door een berg met een omtrek van drie parsaot (bijna veertien kilometer) uit de grond te trekken en boven zijn hoofd te dragen; hij wilde deze naar Benei Jisraël gooien, maar Hasjeem zond mieren (sommigen zeggen: sprinkhanen) om een gat in de berg te boren zodat deze om zijn nek viel. 

Og wilde de berg verwijderen, maar Hasjeem liet zijn tanden zo lang groeien dat dit niet lukte. Vervolgens nam Mosjé, die zelf 10 amot (5,76 meter) lang was, een bijl van 10 amot en sprong vervolgens 10 amot hoog in de lucht, waarbij hij Og in zijn enkel raakte, waarop hij stierf.

Hoewel Og dus een enorme en zeer vreeswekkende reus was, lukte het Mosjé en Benei Jisraël om hem met hulp van Hasjeem te verslaan. 

Eerder in onze parasja wordt verteld dat de verkenners, nadat zij Eretz Jisraël hadden verkend, zeiden dat ze daar Enakiem (reuzen) hadden gezien. Vervolgens werden Benei Jisraël zo bang dat ze niet naar het land durfden te trekken, maar tegen Mosjé in opstand kwamen. 

Volgens de Wijzen gebeurde dit op Tisja Be’av, een datum die voor alle generaties een dag van rampspoed en treurnis zou worden: Hasjeem besloot op die dag dat Benei Jisraël veertig jaar in de woestijn moesten blijven en ook de Eerste en Tweede Tempel werden op die datum verwoest. 

De vrees voor reuzen bleek uiteindelijk ongegrond: Og, de laatste en grootste van alle reuzen, werd door Benei Jisraël immers volledig verslagen. Hieruit kunnen we leren dat angst een slechte raadgever is: angst leidt tot rampspoed en verwoesting, maar wie niet bang is, kan zelfs de grootste reus verslaan. 


cover: collage Bloom, 2021

Over David Kwa 2 Artikelen
David Kwa (1986) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en Torah bij Pardes in Jeruzalem. Hij was docent filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en is momenteel docent Levensbeschouwing en Filosofie aan een middelbare school in Amsterdam.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*