Deze week lezen we twee parasjot: Choekat en Balak.
Choekat begint met de woorden: “God sprak tot Mosje en Aharon als volgt: Dit is de rituele wet die God heeft opgedragen…” (Bemidbar 19:1-2)
De traditionele commentaren gaan in op de precieze betekenis van Choekat hatora (de rituele wet). Een chok wordt geduid als een wet die niet door mensen begrepen kan worden, die simpelweg moet worden opgevolgd zonder dat we de redenering erachter begrijpen.
Het ritueel rond de Rode Koe, direct volgend op deze verzen, wordt tot ultiem voorbeeld hiervan.
Volgens mij slaat deze term echter niet alleen op de Rode Koe, maar op de hele parasja (Choekat). De hele parasja gaat over ritueel en overgang met liminaliteit als leidraad. Dat, en niet alleen de eerste sectie, is waar de term Choekat hatora op slaat.
Liminaliteit is een drempel of overgang tussen oud en nieuw. Het woord liminaal komt van het Latijnse limen (drempel) en werd door de Frans-Nederlandse antropoloog Arnold van Gennep (Ludwigsburg, 1873 – Bourg-la-Reine, 1957) in deze zin voor het eerst toegepast. Zulke transities gaan vaak gepaard met rituelen.
Fase van beperkte duur
Van Gennep zag liminaliteit als een staat van overgang die maar beperkt duurt: de schemering (tussen dag en nacht), het trouwen (tussen alleenstaand en getrouwd), het moment waarop een kind bat mitswa wordt (van kind naar volwassene) om wat voorbeelden te noemen.
Dit zijn momenten die over het algemeen worden gezien als momenten van onzekerheid en kwetsbaarheid. Deze worden voorafgegaan door preliminaire rituelen waarin de oude status langzamerhand wordt afgeworpen (bijvoorbeeld de verloving, of het leertraject van de aspirant-bat-mitswa). De oude status wordt gevolgd door post-liminale rituelen waarin de statushouder in diens nieuwe gemeenschap wordt opgenomen. Bijvoorbeeld de sjewa’ berachot (zeven zegeningen) na de choepa of de eerste keer dat een bat mitswa wordt opgeroepen om te layenen.
Liminaliteit zien we ook terug in het aansteken van kaarsen tijdens de schemering op vrijdag. In de eerste pagina’s van de Misjna* is er al discussie over het zeggen van het Sjema tijdens de zonsop- en zonsondergang. Ook de status van iemand die verloofd is, wordt uitgebreid besproken in de mondelinge leer.
*(red.) met Misjna worden de mondelinge verklaringen bedoeld van de vroege rabbijnen op de Tora. Misjan wordt ook wel ‘de mondelinge leer’ genoemd.
Veertig jaar
Het ultieme voorbeeld van liminaliteit zien we in de Tora zelf: bij een staat van overgang die maar liefst veertig jaar duurt.
Het kost het Joodse volk veertig jaar om van Egypte (slavernij) te reizen naar Israël (vrijheid). Deels is dit een proces dat nodig is om de slavernementaliteit af te schudden en om het volk bijeen te smeden voordat de strijd om Eretz (het Land) Israël geleverd kan worden.
Deels is dit tevens een periode van kwetsbaarheid en onzekerheid, en dat zien we heel sterk in parasjat Choekat.
De parasja is doordrongen van de overgangsfases van het leven naar de dood: dit begint met de wetgeving rond de rode koe die wordt geofferd en verbrand. Daarna wordt haar as gebruikt om mensen die door contact met een lijk onrein zijn geworden weer puur te maken. Een soort feeёstof of in dit geval: veestof.
We zien hier een ongewenst contact tussen de levenden en de doden (het lijk) en daar moet een reinigingsritueel verschoning van bieden – zowel letterlijk als spiritueel.
Mirjams overlijden en Mosje’s kwetsbaarheid
Dan overlijdt Mirjam, de zus van Mosje en Aharon; haar dood wordt direct in verband gebracht met het gebrek aan water dat erop volgt.
Het volk is kwetsbaar en beklaagt zich bij Mosje en Aharon die nog nauwelijks bekomen zijn van het verlies van hun zus en hen herinnert aan hun eigen sterfelijkheid.
Mosje zit er ook even doorheen en wordt geconfronteerd met een volk dat roept dat het in de woestijn nog erger is dan in Egypte. Het is dus wellicht geen wonder dat Mosje niet tegen de rots praat maar er tegenaan slaat met zijn stok. Hij toont zijn eigen kwetsbaarheid.
En misschien is het niet verwonderlijk dat God ook wat overdreven reageert: God wordt boos op de twee broers en straft ze streng: Ze mogen Eretz Israël niet in – ze zullen achterblijven in de liminaliteit van de woestijn.
Aan de ene kant is dit niet de juiste manier om om te gaan met rouwenden – hun sterfelijkheid er nog eens inwrijven en ze definitief meedelen dat ze behoren tot de oudere generatie die het land niet in mag.
Oude mentaliteit achterlaten
Aan de andere kant is het voor het Joodse volk belangrijk dat ze hun oude mentaliteit achterlaten in de woestijn en als een nieuw volk (‘post-liminaal’) Israël intrekken. De overgang van een generatie van leiderschap naar de volgende is een natuurlijk deel van deze transitie.
Daarna overlijdt Aharon. Hier zien we ook weer de drie stadia die de antropoloog Van Gennep aangeeft:
Preliminair (afstand nemen van de oude status): Mosje, Aharon en Eleazar, Aharons zoon, beklimmen samen de berg Hor, terwijl het Joodse volk toekijkt.
Liminaal (het moment van overgang): Aharon doet zijn priestergewaden uit en kleedt Eleazar met zijn kleding. Dan sterft hij op de berg.
Post-liminaal (opname in de gemeenschap van de nieuwe status): Mosje en Eleazar dalen af van de berg. Het volk erkent dat Aharon er niet meer is en rouwt om hem terwijl het went aan de nieuwe Koheen Gadol.
Gifslangen
Alsof dit nog niet genoeg liminaliteit is in één parasja, volgt hierop het voorval met de Seraf-slangen: Het volk is nog steeds ongelukkig met zijn situatie en God is nog steeds niet blij met hun gedrag.
Dan stuurt God gifslangen naar de Joden: “Ze beten het volk en vele Israëlieten stierven” (21:6).
Het volk beklaagt zich bij Mosje die van God de opdracht krijgt om een koperen slang te maken. Iedereen die gebeten werd maar naar deze slang keek, bleef leven. De overgang tussen leven en dood is hier wel heel tastbaar. En deze episode is ook een deel van de overgang van Egypte naar Israël: een deel van de oude generatie wordt hiermee getroffen.
Edom, de terugkerende vijand
Tot slot wordt er een slag geleverd met Edom: een regelmatig terugkerende vijand, die op zijn eigen manier deel uitmaakt van het overgangsproces van het Joodse Volk. Door hier en daar met Edom in de clinch te gaan, worden ze klaargemaakt voor de slag om het land Israël, zowel in militaire als in gemeenschappelijke zin, dus in mentale betekenis.
En zo, langzamerhand tegen het einde van het boek Bemidbar, zien we dat het Joodse volk klaar wordt om van zijn liminale staat in de woestijn over te gaan naar de postliminale staat in Israël, waar het zich als kersvers onafhankelijk volk gaat vestigen.
Onzekerheid in ons leven en in de wereld is geen permanent probleem, maar een tijdelijke zaak waar een einde aan komt.
We kunnen hier zelf ook van leren: er is veel onzekerheid in ons leven en in de wereld. Door dit te zien als een periode en niet als een permanent probleem, wordt het soms makkelijker om met zulke onzekerheid en kwetsbaarheid om te gaan, om dit te zien als een tijdelijke zaak waar een eind aan zal komen, al weten we niet altijd hoe en wanneer.
Sjabbat sjalom
cover: beeldproductie Bloom, 2021
Geef als eerste een reactie