Het schrijven van een drasha voor een sjabbat zoals deze, waarin twee parasjot worden gecombineerd voor de Toralezing, is een bijzondere uitdaging: een droosje die de twee met elkaar verbindt. Laat mij het proberen.
De eerste, Behar, wordt gekenmerkt door een utopische visie op de samenleving, geformuleerd in termen van economische rechtvaardigheid.
Het verzachten van de ongelijkheden die in de samenleving voorkomen is een van de centrale thema’s in deze visie. Door periodieke sabbats- en jubeljaren in de kalendercyclus in te stellen, krijgen de minderbedeelden verlichting van hun omstandigheden.
Wat drijft deze economische wetgeving? Twee imperatieven springen eruit: “Gij zult vrijheid uitroepen in het hele land!” en “Gij zult elkaar niet benadelen!” (Lev. 25:10, 17).
Waarom zouden wij vrijheid voor allen uitroepen? Waarom zouden wij geen voordeel halen uit anderen waar dat mogelijk is? Is de wereld daarbuiten niet een ‘ieder voor zich-wereld’? Welke motivatie beweegt een Jood om zich aan deze specifieke mitswot te houden? Het eenvoudigste antwoord: eigenbelang!
Omgedraaide rollen
Je weet nooit wanneer de rollen worden omgedraaid en je zelf de hulp van anderen nodig hebt. Daarnaast is er een religieus-filosofisch idee: het besef dat wat wij denken te bezitten in feite niet van ons is, maar van God: “Het land behoort Mij toe; gij zijt slechts vreemdelingen en ingezetenen bij Mij” (25:23).
Als zodanig behoudt God zich het recht voor om belastingen te heffen in de vorm van het delen van goederen. Dit is in overeenstemming met de goddelijke zorg voor het welzijn van al Zijn schepselen (zie Jona 4:10–11).
Bechoekotai ofwel wortel en stok
En wat is de Joodse motivatie om het gehele curriculum van het jodendom op zich te nemen? De laatste parasja van Leviticus, Bechoekotai (red.: door mijn decreten) wordt gekenmerkt door het principe van ‘wortel en stok’.
Eerst de wortel: “Indien gij Mijn inzettingen volgt” en de geboden onderhoudt, dan zal God een succesvolle economie, vrede, veiligheid, voorspoed en geestelijke vervulling garanderen (Lev. 26:3–13). Dan de stok: “Maar indien gij niet naar Mij luistert” en de geboden niet onderhoudt, en ze zelfs verafschuwt, dan “zal Ik u in paniek brengen”, u laten lijden onder talrijke gezondheidsproblemen, uiteindelijk een falende economie, zelfs oorlog, en tenslotte ballingschap (ibid. vs. 14–41).
Hoogste aspiratieniveau
De verwachting van materiële beloningen of de angst voor de gevolgen hebben dit gemeen: het zijn bijmotieven, geworteld in eigenbelang. Hoewel ze aanvaardbaar zijn voor een pas uit slavernij bevrijd volk, vormen zij niet het hoogste aspiratieniveau, schrijft Maimonides (Mishne Tora, Wetten van Tesjoeva 10:2).
Maimonides prijst het hoogste niveau zoals dat in de post-bijbelse leer van de wijze Antigonos van Socho wordt verwoord: dat men de Meester niet moet dienen met het oog op beloning, maar zuiver vanuit de overtuiging dat deze dienst op zichzelf waardevol is, ongeacht fysieke, materiële of politieke gevolgen (Pirkei Avot 1:3).
Om de lagere bijbelse motieven om de mitswot te onderhouden radicaal te overstijgen, leert zijn tijdgenoot Shimon ben Azzai ons dat “de beloning voor de mitswa de mitswa zelf is, en de straf voor de zonde de zonde zelf” (Pirkei Avot 4:2).
Tora lishma
Leven als Jood zou zichzelf moeten rechtvaardigen. Het is een waardevolle onderneming waarbij de kwaliteit van deze levenswijze haar eigen beloning is. Zonde kan worden opgevat als het missen van deze kwaliteit, en dat is straf genoeg. Dit ideale engagement noemt Maimonides ‘Tora lishma’ – Tora omwille van zichzelf. De minder verheven optie is ‘Tora shelo lishma’ – Tora niet omwille van zichzelf.
Joseph Dov Soloveitchik, Kol Dodi Dofek (De stem van mijn Geliefde klopt), 1956
Een hedendaagse parallel met dit onderscheid is te vinden in het essay van rabbijn Joseph Dov Soloveitchik: Kol Dodi Dofek – De stem van mijn Geliefde klopt (1956).
Soloveitchik onderscheidt twee vormen van Joodse identiteit: die van Brit Goral – het verbond van het lot en die van Brit Ye’oed – het verbond van de bestemming.
In het eerste ervaart de Jood zichzelf als een slachtoffer van de geschiedenis. Hij heeft geen andere keuze dan zich aan te passen om zoveel mogelijk voordeel te behalen en zoveel mogelijk lijden te vermijden. Het is geen optie die hij, indien hij kon kiezen, zelf zou hebben gekozen.
Tora ‘omwille van zichzelf’
Deze vorm van Joodse identiteit is Tora ‘niet omwille van zichzelf’. In Brit Ye’oed daarentegen ervaart de Jood het jodendom als een voorrecht, als een prachtige bestemming. Het is iets waarvoor hij vrij zou kiezen, vereerd om de uitdagingen ervan op zich te nemen, vanwege de intrinsieke waarde. Dit is Tora ‘omwille van zichzelf’.
Behar deelt met Bechoekotai het niveau van eigenbelang waarmee de Tora zich aanvankelijk richtte tot de eerste Joden, recent bevrijde slaven uit de uittocht, terwijl zij voor de toekomst een hogere mogelijkheid open laat die, naar mijn bescheiden mening, een meer geschikte motivatie biedt.
cover: collage Bloom, 2021
Geef als eerste een reactie