Er is een vraag die me bezighoudt die -letterlijk- zo oud is als de weg naar Rome. Of beter: zo oud als de filosofie zelf. Plato laat Socrates in de Politeia (via Polemarchus) onderzoeken of rechtvaardigheid zou betekenen dat je goed moet doen aan je vrienden en kwaad aan je vijanden.
Stel dus: je hecht aan deugd en aan het vergroten van rechtvaardigheid in de wereld. Voor je staan een vriend en een vijand. En je hebt maar één cadeau. Aan wie geef je het?
De eerste impuls is begrijpelijk: aan je vriend. Loyaliteit, wederkerigheid: het voelt vanzelfsprekend. Maar dan blijft je vijand gevangen in zijn beeld van jou, misschien zelfs bevestigd in zijn vijandschap. Aan de andere kant: geef je het cadeau aan je vijand, dan riskeer je dat je vriend dat ziet als verraad, als een breuk in de band die jullie juist definieert.
Plato concludeert: als rechtvaardigheid werkelijk een deugd is, kan het niet neerkomen op het schaden van wie dan ook. Zelfs niet van een vijand. Rechtvaardigheid maakt mensen niet slechter; zij probeert, hoe voorzichtig ook, het betere in de ander aan te spreken. Rechtvaardigheid kan niet betekenen dat je iemand slechter maakt. Dus ook niet je vijand.
De vraag verschuift daarmee subtiel maar wezenlijk: niet “aan wie ben ik het verschuldigd?”, maar “wat doet recht aan de situatie, en aan de mensen die daarin staan?” Soms zal dat betekenen dat je je vriend geeft wat hem toekomt. Soms dat je juist de cirkel van vijandschap probeert te doorbreken. Maar in geen van beide gevallen is het nog een eenvoudige rekensom van vriend versus vijand.
Misschien is dat de ongemakkelijke les: rechtvaardigheid laat zich niet reduceren tot kampdenken. Ze vraagt iets anders: iets dat dichter ligt bij wijsheid dan bij reflex. Geven is niet neutraal; het onthult wie wij zijn, niet wie de ander is.
Op 1 mei rondden we in de Daf Yomicyclus masechet Menachot af. Misschien niet voor iedereen even zichtbaar (ik ben zelf wat nalatig geweest in het delen van updates in de Daf Yomi appgroep) maar hopelijk heb je af en toe toch een glimp kunnen opvangen van deze reis langs offerandes, pannen met meel, het doodmaken van vogeltjes, intenties, maten, wat de juiste plaats is om welk offer te brengen en andere technische -en soms best saaie- discussies.
In de laatste Misjna klinkt opeens een eenvoudige en ontregelende gedachte: of je nou veel brengt of weinig: de verdienste is gelijk zolang je hart gericht is op het Hogere.
De Gemara onderstreept dit met een vers uit Kohelet (5:11): “Zoet is de slaap van de arbeider, of hij nu weinig eet of veel.” Dat verwijst naar degene die een offer brengt. Of het nu een omvangrijk offer is of een bescheiden gave: beide worden aanvaard, beide vinden hun weg omhoog, als ze voortkomen uit dezelfde innerlijke gerichtheid.
Maar dan komt de Gemara bij de kern van het traktaat. Offers worden niet gebracht omdat G-d ze nodig heeft. Ze worden gebracht omdat wij de behoefte voelen om te geven. Zoals we geschenken willen geven. Niet omdat onze vrienden of vijanden iets tekort komen, maar omdat we iets willen uitdrukken dat zich moeilijk in woorden laat vangen.
Het Hebreeuwse woord voor liefde, ahava, wortelt in hav. Geven. Liefde manifesteert zich niet alleen in gevoel, maar in daad. In het schenken van iets van onszelf.
Nu we -tijdelijk- geen tempel hebben, brengen we geen fysieke offers, maar bestuderen we hun wetten. Niet louter uit plicht, maar uit verlangen naar nabijheid, naar verbondenheid, naar datzelfde gebaar van geven, zij het in een getransformeerde vorm.
Zonder een definitief antwoord te willen geven aan Polemarchus, blijft staan: het feit dát we willen geven, is op zichzelf al een uitdrukking van liefde. Niet omdat de ander per se iets tekortkomt, maar omdat geven iets zegt over wie wij zijn. Dát we willen geven is essentieel, niet of het veel of weinig is. Dát we willen geven is essentieel: we hopen dat het de wereld iets beter maakt. Dát we willen geven is essentieel, niet of we dat in een tempel doen, of in de vervanging van de tempeldienst: het leren van dit stuk Gemara.
Liefde is zelden eenvoudig. We mogen twijfelen aan de ontvanger, worstelen met diens keuzes, zelfs kritiek hebben. Dat doet niets af aan de liefde. Integendeel, het veronderstelt betrokkenheid. Liefde die nergens schuurt, is verering zonder kennis, zonder intimiteit. Is uiteindelijk afstandelijk.
Misschien is dat ook wat geven, en het brengen van offers, en het leren daarover zo complex maakt: het is nooit alleen een gebaar naar de ander, maar altijd ook een spiegel van onszelf.
Ik moet daarbij denken aan mijn dochter, Rebecca Henriette Johanna Baruch z”l. In haar keuze om te geven, radicaal, zonder reserve, uit liefde voor haar soldaten, voor IDF en voor een beter Israël.
Dank je wel voor je column. Had het net nodig. Todah.
Prachtig stuk weer. Ik ook op deze dag van de arbeid.arbeid is de slaap van de arbeider zoet.