De uiterst getalenteerde Martin Monnickendam (1874-1943), zoon van een joodse vader en een niet-joodse moeder, werd als zestienjarige toegelaten tot de Rijksakademie.
Tot zijn onuitsprekelijke frustratie won hij de prestigieuze Prix de Rome pas bij zijn derde deelname, in 1913. Dat stond zijn doorbraak in Amsterdam in 1907 en Parijs in 1908 niet in de weg. Hij groeide uit tot een ‘machtig colorist’, gedreven door het verlangen om ‘stemmingskunst’ te maken. Een ‘geniaal aangelegde’ kunstenaar, die aan meer dan tweehonderd tentoonstellingen deelnam en meer dan 4300 doeken schilderde. Zijn werk werd ver boven de gemiddelde prijs verkocht, soms voor 2500 gulden. Hij kon daardoor in welstand leven.
Vanaf 1902 huurde hij een atelier op Lutmastraat 171, in 1893 door Eduard Cuypers gebouwd voor de beeldhouwersfirma Van den Bossche Crevels.
Beneden voerden deze firma opdrachten uit voor onder meer de Gouden Koets, het Barlaeus Gymnasium, het Rijksmuseum, de Bijenkorf en de NS. De bovenverdieping werd verhuurd aan schilders. Aan de achterkant keek Monnickendam uit op de tuin van Berlage en het voormalige raadhuis van Nieuwer-Amstel. Aan de voorzijde was meer bedrijvigheid. Dat beviel hem wel. Toen er eens een rouwstoet geparkeerd stond, maakte hij ter plekke vlotte tekeningen.
Eretentoonstelling in het Stedelijk
In 1934 werd Monnickendam benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. In 1937 ontving hij op de wereldtentoonstelling in Parijs een gouden medaille. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag in 1924 organiseerde het Stedelijk Museum een ‘eretentoonstelling’ met vijftig schilderijen uit de periode 1896-1924.
Een jaar later kocht hij voor 35.000 gulden Stadhouderskade 92. Hier woonde hij met zijn Luxemburgse vrouw Alice Mouzin, directrice van de Industrieschool voor Vrouwelijke Jeugd aan de Weteringschans 31 (nu onderdeel van het Barlaeus Gymnasium) en hun dochters Monarosa en Ruth. Hij bleef vooral geliefd om zijn feestelijke schouwburg- en circustaferelen. Zijn aandacht ging daarbij niet, zoals bij Kees Maks, uit naar de voorstelling, maar naar het publiek.
Joodse motieven
In de dreigende jaren dertig namen de joodse motieven in zijn werk sprongsgewijs toe. Zoals de begrafenis van Opperrabbijn A.S. Onderwijzer, in 1934; de Dienst in de Grote Synagoge op 14 november 1935 en het Affiche voor een vioolrecital van Bronislaw Hubermann in het Concertgebouw ten bate van de vluchtelingen uit Duitsland in 1934 en het verbranden van de chameets in 1940.
Afbeeldingen: Martin Monnickendam, Het verbranden van de chameets, 1940, paneel, Joods Museum; Martin Monnickendam, De Dirigent (Albert van Raalte voor een volle zaal in de Hollandsche Schouwburg), 1943, Holocaustmuseum; Martin Monnickendam, Toespraak van rabbijn Onderwijzer in het Concertgebouw, 1918, bijgewerkt 1932, Joods Museum.
Ook schilderde hij in deze periode nogal macabere doodsbedportretten van vrienden en collega’s, onder wie Willem Witsen en Louis Goudman, en van de longarts Nelly Goudman-Bensz.
Dirigent Albert van Raalte
Zijn laatste portret was van de joodse dirigent Albert van Raalte. Op 21 mei 1940 werd Van Raalte door AVRO-directeur Willem Vogt ontslagen. Monnickendam schilderde hem in 1942, dirigerend voor een volle zaal in nota bene de Hollandsche Schouwburg.
Zijn eigen activiteiten waren inmiddels door de nazi’s sterk ingeperkt. Zo mocht hij niet buiten werken. Toch aanvaardde hij op de bitterkoude Oudejaarsdag van 1942 de opdracht huisjes aan de Bloemgracht te tekenen die zijn bevriende architect Jan de Meijer restaureerde.
Vier dagen later, op 4 januari 1943, bezweek Monnickendam aan een longontsteking, vlak voor zijn onvermijdelijke arrestatie door de nazi’s.
Dit artikel is te vinden in Cultuuratlas van Amsterdam: De Pijp. Te bestellen bij de auteur-uitgever, Tijd/Ruimte. Met 365 afbeeldingen, waarvan 74 in kleur.
cover: Martin Monnickendam, Plafonddoek voor Stadhouderskade, ca. 1925, nu Keizersgracht 697, notariskantoor Meijer
Geef als eerste een reactie