28 september 2013
Tattie sluit zijn kleine Gemore waar hij onderweg altijd uit leert. ‘Nog een uurtje of zo, dan landen we’.
‘Ja, dan ben ik weer thuis’.
‘Nou ja thuis. Naftoli, we zijn pas thuis in Erets Jisroeil wanneer de Moshiach er ook is.’
Tattie had, geloof ik, niet in de gaten dat mijn opmerking een beetje plagend was bedoeld.
‘Tattie, misschien worden we op het vliegveld Ben Gurion wel opgewacht door de Moshiach.’ Tattie lacht nu. Hij geeft me een por in mijn zij. ‘Zolang het vliegveld van de Mediene de naam nog draagt van die afvallige Ben Gurion zal de Moshiach ons daar niet opwachten.
’‘Dan komen we de Moshiach wel bij de Koisel tegen’, grap ik nog een keer. Deze keer antwoordt Tattie niet. Hij zal wel denken “die zoon van mij is flink de weg kwijt. De Moshiach bij de Koisel? De Moshiach naar de plek die de zionisten met hun politieke onzin hebben verontreinigd?”
Ik ben blij dat tattie wijselijk zijn mond houdt. Mijn opmerking was als een grapje bedoeld maar ik heb geen zin om nu een hele discussie met tattie te gaan voeren. ‘Tattie waar gaan we straks eerst naartoe?’ ‘We nemen een taxi naar Jeroesjalajim. Dan ga ik naar het hotel. Ga jij mee of ga jij door naar de jesjiewe?’ ‘Ik denk dat ik naar de jesjiewe ga. Deze is vlak bij jouw hotel.’
De taxi stopt op de Jeremijahoe-straat, pal voor het hotel. We stappen uit, ik pak mijn koffer. Tattie betaalt de chauffeur.
‘Hi Toli, welkom terug. Sjalom. Heb je het goed gehad?’ Chagai komt op me af en geeft me een klap op mijn schouder. ‘Sjalom meneer, u bent vast Toli’s vader.’ Tattie kijkt de man in het legeruniform verbaasd aan. ‘Wie bent u? Ik ken u niet.’ ‘Ik heet Chagai, Toli is een goede vriend van mij.’ ‘Een vriend van u?’
Tattie kijkt de soldaat van top tot teen aan. Ik herken de afkeurende blik in tatties ogen. Nog maar een paar uur in Erets Jisroeil en daar staat mijn Satmar-vader oog in oog met een zionist. En dan nog wel iemand die zich de vriend van zijn zoon noemt.
Chagai schat de situatie heel goed in. Hij doet een stapje terug. In gebroken Jiddisj gaat hij verder. ‘Rebbe, ik heb zo’n bewondering voor uw zoon. Hij doet zulke goede dingen. Een chassidische bochoer, maar die het niet erg vindt om met mij of met mijn vrienden in het leger en in onze eigen jesjiewe te praten.’
Tatties hoofd gaat langzaam op en neer. Ik vraag me af of tattie het leuk vindt om dit allemaal te horen over zijn zoon. Voor dit soort ‘goede dingen’ heeft hij mij toch niet naar de Satmar Jesjiewe in Erets Jisroeil gestuurd. Ik wenk stilletjes naar Chagai dat hij maar beter weg kan gaan. Voordat we het weten, barst tattie misschien in woede uit. En dan hebben we de poppen aan het dansen! Maar dan ineens ontspant tatties gezicht. ‘Vertel eens meneer. Wat doet mijn zoon dan allemaal voor goede dingen?’
Ik had me zó voorgenomen om deze week dat tattie hier was braaf elke dag in mijn eigen jesjiewe te blijven. Geen ambulancediensten, geen afspraken met soldaten, geen studiesessies in Ma’ale Adumim met jongens met kleine witte gehaakte keppels, zonder lange peijes en kaftan.
En nu hebben we nog geen stap op straat gezet in Jeroesjalajim en al mijn niet zo chassidische avonturen worden uitgebreid aan tattie verteld.
Terwijl Chagai zijn verhaal doet staar ik naar de grond. Ik durf tattie niet aan te kijken. Elk moment verwacht ik dat tattie me bij mijn arm pakt en me het hotel binnensleept. Om me daar eens goed de les te lezen. Maar dat gebeurt niet. Chagai vertelt over onze ontmoeting op Har Herzl. Over hoe hij mij de zionistische jesjiewe in Ma’ale Adumim heeft binnengebracht. Terwijl hij zag dat ik toch heb vastgehouden aan mijn eigen chassidische levensstijl. Ik kijk voorzichtig op.
Tattie is een en al oor. En dan komt Chagai met het verhaal dat ik vrijdags vaak help bij de ambulancepost van Magen David Adom. ‘Rebbe, ik moet nu verder. Ik hoop dat u deze week samen met uw zoon geniet in Israël.’
Chagai hangt zijn geweer over zijn schouder en steekt zijn hand uit. Tattie pakt deze met beide handen vast. ‘Dank je jongen wat jij voor mijn Naftoli doet’. Vol verbazing kijk ik naar wat er hier gebeurt. De altijd zo antizionistische tattie, die Israël ziet als een bedreiging voor Klal Jisroeil luistert naar de zionistische soldaat en grijpt zijn beide handen om hem te bedanken.
Ik ga niet meteen door naar de jesjiewe. Samen met tattie loop ik het hotel binnen. Bij de balie krijgt tattie de sleutel van zijn kamer. ‘Naftoli, voordat ik naar mijn kamer ga en jij naar de jesjiewe moet ik eerst met je praten’. We lopen het restaurant binnen. Tattie bestelt koffie. Ik een flesje Sprite. Tattie zit zwijgend tegenover me. Ik voel dat er een vloedgolf aan verwijten over me heen komt. Maar er gebeurt iets heel onverwachts. ‘Toli, wat ben ik blij dat ik jou naar Erets Jisroeil heb gestuurd.’ Ik schrik op. Tattie noemt mij ineens weer Toli, geen Naftoli. En hoe kan het dat tattie blij is. Met het verhaal dat hij zojuist van Chagai heeft gehoord over mij, zou hij toch helemaal niet blij moeten zijn? Zijn oudste zoon, de Rebbese einikel, die voorbestemd had moeten zijn om Rebbe te worden, is zojuist ontmaskerd als een soort afvallige chossied op weg naar het zionisme. En tattie is daar blij om? Ik ben helemaal in de war. Wat gebeurt hier?
Tattie buigt zich naar voren. ‘Toli, ik ga je iets vertellen wat na vandaag alleen mammie en jij weten. Beloof je dat het geheim blijft?’ Ik voel me helemaal niet op mijn gemak. Is dit wel dezelfde tattie die altijd zo streng tegen me was als ik een uurtje niet leerde of ik weer eens te laat in sjoel kwam? Een tattie die niets van mijn tweede leventje wilde weten? Tattie begint te vertellen. ‘Mijn verhaal begint lang geleden. Jij was nog niet eens geboren….’
Rebbese einikel Nazaat van een Chassidische Rebbe
Mediene Letterlijk ‘Land’. Hier wordt vaak Erets Jisroeil mee bedoeld.
Geef als eerste een reactie