Een kathedrale koe uittorenend boven haar katholieke kalfjes

cine mediene deel 1

foto van kathedraal met koeien ervoor in grasland


‘G-dverrrrrdomme!’ Met zo’n rollende rrrr. Ja, vloeken kon zijn moeder wel. Als de beste Mokummer bootwerker. En nee, blij met die brief van het Joodse Bomenfonds met bijbehorende acceptgirokaart was ze allerminst. Luid rolden de rr’en door de serre. ‘Hoe’, klaagde zij met theatraal misbaar, haar armen in de lucht, ‘hoe weten die kl**tzakken waar en wie ik ben?’ ‘Ma, ze hebben vast de adressenbak van de Amsterdamse gemeente rond 1900. Daar zit oma in.’

Zij, de trotse plantersdochter uit Amsterdam, dacht nog wel onbekend en veilig te zijn in de provinciehoofdstad. Hoewel, eerder een dorp dan een stad: een gat met veel historie achter zich waar de moderne tijd, haar rokken ophoudend, aan voorbij was gerend. Het knellend korset van de wallen uit de tachtigjarige oorlog was ook nauwelijks een halve eeuw eerder pas afgeworpen. Daarbinnen was het nog steeds een benauwd rooms bolwerk. Vanuit de polder eromheen gezien bepaalde de enorme laatgotische basiliek het silhouet van de stad, als een kathedrale koe uittorenend boven haar katholieke kalfjes.

Nog steeds gedoken

Midden in die overdosis roomsen zat zijn ooit orthodoxe moeder nog steeds gedoken terwijl de oorlog al twee decennia over was. Na die gedwongen duik bleef ze, omdat Amsterdam leeg was geworden, in het gat dat trots de oudste joodse gemeente van het land werd genoemd, maar waarvan zij nu zo min mogelijk wilde weten. Terwijl ze allesbehalve de eerste was: al vanaf de vroege middeleeuwen hadden Joodse marskramers en handelaren zich daar langzaam opgewerkt in een vijandige omgeving. Maar van hun nazaten kende de zoon ook slechts drie families: de Spiero’s die benevens bladmuziek ook de tandarts en diverse dikbebrilde rabbijnen afleverden, en de huisarts die kinderen ter wereld bracht en de Joodse jongetjes meteen besneed met dezelfde snelheid als waarmee die pasgeborenen bij het Bevolkingsregister ongewild de extra doopnaam ‘Maria’ kregen aangesmeerd. En de De Winters die, op sjiek, in een door lompenhandel verkregen witte villa met twee garagedeuren woonden, in een vijftiger jaren nieuwbouwwijk buiten de wallen. En dan was er nog een verdwaalde Philips uit de buurt, voor zover die niet waren geschmad in de negentiende eeuw, net zoals de Heijmansen van het bouwbedrijf hun jodendom hadden verruild voor de Dark Side.

En over bouwen gesproken: behalve die kathedraal waarin het als jeugd leuk deuken schoppen was vanwege de zachte zandsteen, en het Concertgebouw dat halverwege de jaren zestig door een lekkende gasleiding ontplofte, gebeurde daar helemaal niks.

Gedeisd houden

De Joodse gemeente was eeuwenlang doorgekwakkeld door zich, tussen pogroms, verbanningen en al dan niet door de kerk gepropageerde jodenhaat door, gedeisd te houden. Pas de Franse tijd bracht gelijke rechten en enige verlichting, en die openbaarheid benutte de Israëlietische Gemeente door meteen maar omstandig onderling ruzie te maken. Zoals overigens overal elders.

En dus kon pas halverwege de negentiende eeuw een sjoel worden gebouwd, nu ja, overgenomen uit het privébezit van een vooraanstaande familie in ruil voor vaste zitplaatsen benevens gebeden voor hun overleden misjpoge. Bij de overname werd de waarde van de synagoge geschat op 2640 gulden en die van het meubilair op 300 gulden. Het was sowieso een wat wankele deal, omdat de sjoel vanwege ruimtegebrek in de omwalde stad gebouwd was over een van de vele binnenriviertjes die onder huizen en pleinen doorliepen. 

De enorme tunnel die vanaf de stadwallen tot aan de synagoge liep, droeg de toepasselijke naam ‘Hellegat’. Onder kelders en krochten kabbelde het rioolwater niet zonder risico: zelfs in zijn jeugd verdween er nog af en toe een bouwvallig huis met man en muis in de diepte. Het was dus een kwestie van tijd voordat ook de synagoge verzwolgen zou worden door een modderig kronkelende zijtak. Dat besef droeg wel bij aan de deemoed der gelovigen.

Schuldvolle hotemetoot

Het kon elk moment afgelopen zijn, en eenmaal in de donkere jaren van de twintigste eeuw gedoken, leek het daar ook op. Er werden 465 Joden gedeporteerd, slechts 172 overleefden. Na de moord werd pal voor de leeggeroofde en nauwelijks meer in gebruik zijnde sjoel een rijtje huizen gebouwd en kreeg de straat de naam van de populaire prins-gemaal. De huizenrij verdween later bij een restauratie, de prins bleef. En de Israëlietische gemeente plaatste, in aanwezigheid van menige schuldvolle hotemetoot, talloze gedenkstenen. 

Binnen in de sjoel de dode namen, en buiten in de stenen boog over de stroom eronder de dichtertekst ‘Alles van waarde is weerloos.’ Wisten zij veel dat juist die dichter nogal Duitsvriendelijk was geweest. ‘Net zoals die prinsgemaal. Zie je nou dat het allemaal cultuurloze kl**tzakken zijn’ was steevast het bittere commentaar van zijn moeder.

Cine Mediene: deze serie beschrijft in korte filmische sfeerschetsjes een kehille in de mediene.

cover: beeld op ‘s-Hertogenbosch, foto auteur

Over Paul Damen 3 Artikelen
Paul Damen ('s-Hertogenbosch, 1954) is journalist en publicist. Hij studeerde sociale geschiedenis en massacommunicatie aan de UvA. In Joodse kring werkte hij eerder bij de voormalige Joodse Omroep, als columnist van Jonet, en als hoofdredacteur van het NIW, waar hij nu nog opinies voor schrijft.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*