Het was dringen achter de tafel waarop de reden lag te pronken voor de plechtige ceremonie.
Op de tafel lagen twee antieke boeken op twee gietijzeren leesplanken. Zij tonen elk een antiek in het Hebreeuws gedrukt boek dat is opengeslagen op de titelpagina. Achter de tafel poserem zeven publieke personages voor de rituele foto. Zes mannen en een vrouw met elk een hoge functie in de Italiaanse- en Joods-Italiaanse samenleving.
Het eerste boek is een commentaar op het boek Esther: Peirush Megillat Esther van de talmoedist rabbijn Elisha ben Gabriel Gallico. Deze rabbijn is waarschijnlijk in 1583 in Safed (Palestina) gestorven. Het boek werd gedrukt in 1583 in Venetië door de typograaf Giovanni Bragadin.
Het tweede bibliografische juweel was een quaestiones et responsa van enkele erudiete rabbijnen: ‘Naḥalat Yaʻaḳov / asher ḥiber … Yaʻaḳov Hailpron. ṿe-hemah sheʼelot u-teshuvot … dinin ve-yerivim …’ Deze ‘Erfenis van Jacob’, geredigeerd door Yaakov Hailpron, werd in 1622 gedrukt in Padua door de typograaf Gasparo Crivellari.
Waarom stonden op zondag 12 juli 2026 in het Joods Museum van Rome ruim een dozijn vooraanstaande publieke personages vriendelijk glimlachend achter een tafel geschaard? Vanwege een hartstochtelijke bibliografische liefde voor het antieke boek?
Nee, aan deze op het eerste gezicht wat pompeuze ceremonie voor de restitutie van de twee zeldzame Hebreeuwse drukwerken uit de zestiende en zeventiende eeuw, beoogden zij een krachtige symbolische impuls te geven.
Geroofd, gevonden en teruggegeven
De in het Hebreeuws gedrukte boeken waren deel van de twee zeldzame boekencollecties die in 1943 door de nazi’s in het voormalige getto van Rome werden geroofd uit de ‘Biblioteca Talmud Torah’ van de Romeinse Joodse Gemeente. In deze bibliotheek bevinden zich manuscripten, incunabelen en andere zeldzame werken afkomstig van Sefardische joden die na 1492 waren gevlucht uit Spanje. In de loop der eeuwen zijn in deze collectie naar schatting meer dan zevenduizend nummers opgenomen en zorgvuldig beheerd.
De tweede aanzienlijk kleinere collectie komt uit de bibliotheek van het Italiaanse Rabbijnen College, dateert uit 1829 en is gedrukt in Padua. In 1934 vond het onderdak in Rome. Beide collecties waren ondergebracht in het gebouw van de Grote Synagoge van Rome.
Duitse officieren
Daar meldden zich twee Duitse officieren, zeer waarschijnlijk van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg op donderdag 30 september 1943, de eerste dag van Rosj Hasjana, om de twee bijzonder waardevolle collecties te bekijken.
Ze verklaren de beide collecties ‘in beslag genomen’ en nemen de catalogi mee. Er bestond feitelijk geen complete catalogus, maar slechts een onvolledige inventaris opgemaakt in 1934 door de filoloog Isaia Sonne.
Uit overwegingen van veiligheid, daterend uit de tijd van de Inquisitie, had de leiding van de Gemeenschap een beperkt deel van de zeldzame collectie (incunabelen, handschriften, en dergelijke) buiten de inventaris gehouden.
Verhuisbedrijf Otto & Rosoni
Op 13 en 14 oktober werd het grootste deel van de twee bibliotheken door het Romeinse verhuisbedrijf Otto & Rosoni, benevens een aantal kostbare objecten, in wagons geladen en gedeporteerd naar Duitsland. Op 21 en 22 december volgde wat nog restte van de bibliotheek van het Rabbijnen College. Van de Bibliotheek Talmud Torah werd praktisch niets teruggevonden, maar een relevant deel van de tweede bibliotheek werd kort na de oorlog in Offenbach opgespoord door de kunsthistoricus Rodolfo Sivieri (1911-1983).
Bij de teruggekeerde incunabelen behoren ook de twee antieke Hebreeuwse boeken. Dat was het werk van de gespecialiseerde afdeling van de Carabinieri (nationale politie), opgericht om geroofde kunstschatten op te sporen. Zij identificeerden de boeken op een Amerikaanse antiquarische markt en blokkeerden de verkoop. De Italiaanse minister van Cultuur Alessandro Giuli reisde naar Manhattan om de klaarblijkelijk delicate kwestie op het hoogste niveau te regelen.
Scherpe verdeeldheid
Men zou zich kunnen afvragen waarom achter de tafel met de kostbare boeken stonden de minister van cultuur, een brigade-generaal, een hoge magistraat, de opperrabbijn van Rome, de leiding van Italiaanse en Romeins-Joodse Gemeentes en diverse culturele instituties. Een korte (en dus onvolledige) uitleg zou deze kunnen zijn.
Tussen de huidige Italiaanse regering en de leiding van de Unie van de Italiaanse Joodse Gemeenschappen (UCEI), de institutionele gesprekspartner van de Staat sinds 1989, bestaat een uitstekende verstandhouding. Zeker, zij delen ieder op eigen wijze de strijd tegen het aanwassende antisemitisme. Maar wellicht is er meer. Beide instituties, de orthodox-Joodse UCEI en de rechts-extreme regering Meloni, staan achter Israëls regering Netanyahu. Twee voorbeelden van de opstelling van Italiaanse regering: géén erkenning (‘op dit moment’) van een Palestijnse staat en continuïteit in de politieke, economisch-financiële en culturele betrekkingen met Israël.
Vanzelfsprekend bestaat hierover in het land een scherpe verdeeldheid, met name bij de centrum-linkse oppositie en de pro-Palestina-beweging, die soms lastig te onderscheiden zijn.
Ook onder progressieve Italiaanse joden hoort men sterke kritiek. Zij zijn georganiseerd in de Italiaanse Federatie voor Progressief Jodendom (FIEP) en tellen ongeveer duizend leden, verdeeld in zes plaatselijke gemeenschappen. Scherpe kritiek kan men beluisteren op de als ‘post-fascistisch’ betitelde, rechts-extremistische, conservatief nationaal-populistische regering Giorgia Meloni.
In een andere toonzetting en op grond van gedeelde premissen zetten progressieve joden – inclusief de vele niet in de FIEP georganiseerde joden – vraagtekens bij het beleid van de leiding van de orthodoxe UCEI die zich teveel in nabijheid van de huidige regering zou ophouden. Het debat gaat verder, zoals de eeuwenoude traditie dat wil, zelfs over de hoofden van antieke boeken.
Verwijzingen
Giacomo Debenedetti schreef over de roof enkele pagina’s in zijn kort na de oorlog gepubliceerde essay 16 Oktober 1943. Een Joodse kroniek met het verhaal van de razzia in het voormalige getto van Rome, zie Debenedetti, Meulenhoff, 1985, pp. 23-25; vertaling en nawoord van Jenny Tuin.
Over Nederland: Gerard Aalders, Roof. De ontvreemding van Joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Den Haag, SDU Uitgevers, 1999, m.n. pp. 69-81
cover: de VIP-tafel met onder meer de minister van cultuur, Alessandro Giuli en de opperrabbijn van Rome, Riccardo Shemuel Di Segni; Rome, juli 2026
Geef als eerste een reactie