28 januari 2013
De dagen in de jesjiewe lijken in Jeroesjalajim sneller voorbij te gaan dan thuis in Stamford Hill.
Misschien komt dat wel omdat ik niet meer als een echt jonge bochoer, een kind, wordt beschouwd. De oudere jongens passen wel een beetje op ons, maar toch zijn we allemaal een beetje eigen baas.
Er is hier geen rebbe Mattias die ons voortdurend najaagt. “Naftoli, zit niet te praten. Naftoli, vanochtend was je weer tien minuten te laat voor het dawwenen. Naftoli, ik zal je vader vanavond in sjoel toch maar eens vertellen dat je in de sjioer zat te tekenen”.
Het gaat hier heel anders. De oudere jongens hebben allemaal een taak. De ene week is het Sjmoe’eil die ervoor moet zorgen dat we op tijd opstaan. Joeri trekt ons aan onze jas als we onze bedden niet hebben opgemaakt. En Jankele zorgt ervoor dat wij de ontbijttafels helpen schoonmaken.
De rebbes zijn er alleen maar om ons sjioer te geven. De eerste weken had ik best veel last van heimwee. Maar dat is nu verdwenen. Natuurlijk zijn er momenten dat ik wel eens thuis zou willen zijn. Dat ik even met Chayele kan kletsen of met mamma mee boodschappen ga doen. Maar voor de rest vind ik het nu wel prima hier.
Bijna iedere week krijg ik een brief van thuis. Ook tattie schrijft mij dan een paar regels. Meestal gaat het over wie hij in sjoel heeft gesproken of hij een kort wort.
Tatties regeltjes eindigen altijd met de opdracht om toch vooral goed mijn best te doen en me voor te bereiden om een Talmied chochom te worden. Mijn wekelijkse antwoord is altijd ‘Tattie, ik ben bezig een talmied chochom te worden’.
De brieven bewaar ik heel zorgvuldig op een stapeltje in de kast naast mijn bed. Met altijd de tekening van Chayele naar voren gevouwen. De tekening die ze iedere keer meestuurt.
De oudere jongens waarschuwen ons er altijd voor dat we niet te veel op straat moeten rondlopen. ‘De straat is waar de zionisten rondhangen. Wij van Satmar hebben daar niets mee van doen. Wij wonen niet in Medinat Jisraeel, wij wonen in Erets Jisroeil’.
Dit wordt ons wel drie keer per dag ingeprent.
De eerste weken ging ik dan ook eigenlijk alleen de straat op om postzegels te kopen. Op vrijdagmiddag bezocht ik een van mijn ooms en tantes hier in de wijk waar de jesjiewe is. Of op sjabbes onder leiding van een van de oudere bochrim naar de tisj te gaan van een van de Rebbes.
Al gauw kwam ik er achter dat de soep niet zo heet wordt gegeten zoals die wordt opgediend. Er zijn best jongens die na afloop van de seider gewoon weggaan, de straat op, een falafel op de hoek kopen of gaan rondneuzen in de winkeltjes in Mea Shearim.
Ik lepel mijn soep op. Chaim stoot me aan. ‘Naftoli’. Chaim kijkt om zich heen. Er zit verder niemand in onze buurt. ‘Naftoli, jij bent geloof ik nog nooit naar de Koisel geweest?’ Ik schrik op. De Koisel? Tattie heeft mij in de auto naar het vliegveld nadrukkelijk gewaarschuwd. “Naftoli, één ding. Ga niet naar de Koisel! Nooit. Het is meest de heilige plaats in Erets Jisroeil. Maar de zionisten met hun mesjoggas hebben die plek geestelijk verontreinigd. Pas als de Mosjieach er is mogen we daar naar toe. Hoor je het goed Naftoli? Daar ga je niet naar toe. Nooit”.
‘Naftoli, mijn vader vindt het net als jouw vader niet goed dat ik daar naartoe ga. En de meeste rebbes in de jesjiewe ook niet. Maar toch ga ik zo nu en dan.’
‘Ja, onze Satmar Rebbe is er tegen. Maar er zijn veel Rebbes die zelf ook gaan. En dat zijn toch echt geen zionisten.’ Ik schrik hier wel van. We leren toch niet voor niets in een Satmar jesjiewe?
‘Naftoli, vanavond is de jaartijd van de Strikover Rebbe. Veel van zijn chassidim komen vanavond naar de Koisel. En het is ook de jaartijd van de Shlonimer Rebbe. We gaan er met een paar jongens naar toe.’ Chaim ziet dat ik twijfel. ‘Naftoli, denk er maar over na. We vertrekken om half tien.’ Chaim staat op.
Ik eet het laatste restje soep op. Mijn bord met kip en gebakken aardappels staat al voor me. Wat ga ik doen? “Andere Rebbes gaan ook naar de Koisel. En dat zijn toch echt geen zionisten!” De woorden van Chaim zingen door mijn hoofd.
Als ik ga, ben ik ongehoorzaam. Tattie heeft me nog zo gewaarschuwd. Maar dan bedenk ik mijzelf. Thuis in Stamford Hill deed ik veel ‘ergere dingen’. Ik luisterde naar niet-Joodse muziek in het park. Ik bracht stiekem boeken mee van de bibliotheek naar mijn kamer thuis. Ik ging naar de club en leerde daar Gavriel en Jaffa kennen. Als ik nu naar de Koisel ga is dat lang niet zo erg.
Vanavond is de jaartijd van de Shlonimer Rebbe. En ook nog van de Strikover Rebbe. En heel veel chassidim gaan ook. Onze eigen Satmar Rebbe is toch ook maar één van de Rebbes. De een denkt zo en de ander denkt er weer anders over.
Om half tien lopen we naar buiten naar de Oude Stad, in de richting van de Koisel.
Bochoer jongen
Wort Een korte uitleg van de wekelijkse afdeling uit de Tora
Satmar De Chassidische stroming waar de familie van Toli volgeling van is
Medinat Jisraël De Staat Israël
Erets Jisroeil Het Heilige Land Israël
Seider Het dagelijkse studieprogramma
Mea Shearim De streng orthodoxe wijk in de stad
Koisel De Klaagmuur
Geef als eerste een reactie