Toli, zit je weer te dromen? 

Mijn eigen weg #1

2 februari 2009

Op maandagmorgen is het druk in Clapton Common, de straat die de Londense wijk Stamford Hill in tweeën snijdt. Van beide kanten baant het verkeer zich een weg tijdens de ochtendspits. 

De rode dubbeldekker stopt voor mijn neus bij het zebrapad waar wij, een grote groep in zwart geklede jongetjes, oversteken. Sommigen van ons zijn getooid met een hoed. Daaronder gezichten, omlijst met naar beneden hangende netjes gekamdepeijes. Ikzelf draag nog geen hoed. Maar wel een fluwelen petje over mijn keppeltje heen.

Eenmaal aan de overkant van de straat slaat een deel van de groep rechtsaf, in de richting van de school van de Belzer Chassidim. Anderen lopen rechtdoor naar de grote poort van de school die behoort tot de Bobover Chassidim. Mijn groepje rent de straat verder uit naar de Satmarschool, waar de rebbe ons al bij de openstaande deuren staat op te wachten. 

De bus is verdwenen en wij zitten gebogen over de Heilige Boeken.

Door het open raam zie ik op de vensterbank een zwarte vogel. Maar aan de zijkant en op zijn buik heeft ie witte veren. Het is dus een andere vogel dan de teibelech, de duiven, zoals mammie de vogels noemt die bij de bakker de kruimeltjes van de stoep oppikken. Die zijn grijs en ze hebben rooie pootjes. Als de stoep leeg is roepen ze “Oe, Oe.” Deze vogel maakt een ander geluid met zijn krassende stem. En heeft zwarte pootjes. Ik ga mammie straks vragen hoe ze deze noemt.

Rebbe Weisz duwt het raam dicht. Nu kan ik het gekras niet meer horen. “Toli, zit je weer te dromen? Al twee keer heb ik je gevraagd de volgende posoek te lezen.” 

Geschrokken kijk ik  op. Ik ben bezig met vogels, helemaal niet met luisteren naar wat er in de klas wordt geleerd. Is het mijn beurt? Ik buig me over mijn choemesj maar ik heb geen idee waar we gebleven zijn. 

‘En niet luisteren wanneer we Toire leren én ook nog eens de plaats kwijtraken!’ De rebbe staat recht voor me. Zijn rieten stokje zwaait gevaarlijk voor mijn gezicht. Ik kijk naar Awromi, naast me. Bij welke zin heeft hij z’n vinger? Ik zie dat ik helemaal op de verkeerde bladzijde zit. Het stokje tikt gevaarlijk dicht bij mijn hand op tafel. 

Ik weet dat rebbe Weisz me niet zal slaan. Maar als hij boos is maakt hij me wel altijd bang. Nog even dwaalt mijn blik terug naar het raam. De vogel is weg. Misschien komt ie morgen wel weer terug. ‘Toli, je krijgt deze ochtend nog één kans. Berele, lees jij verder, posoek zeventien en achttien. Daarna komt jouw beurt, Toli.’ 

Ik sla twee bladzijden om. Onderaan staat de posoek waar ik zo moet beginnen. Mijn vinger leg ik alvast op die plek. Ik zorg er wel voor dat ik niet nog een keer mijn beurt mis. ‘Vajikro es sheim hamokoim, en hij noemde de naam van die plaats Beth El, het Huis van de Eeuwige.’ 

‘Vjidar Jaákov neder, en Jacob deed een belofte.’ Mijn vogel is terug. Hij zit dicht tegen het raam aan. Nu zie ik dat er behalve witte ook nog blauwe veren aan de zijkant zitten. En hij heeft een hele scherpe puntige snavel. Rebbe Weisz houdt op met praten, hij kijkt in mijn richting en ziet dat ik weer niet op let maar naar de vogel staar. De rebbe loopt naar het raam en met zijn stokje tikt hij er driftig tegenaan. Mijn vogel vliegt meteen weg. ‘Toli, hier leren wij Toiro. Wat er buiten gebeurt is Bitoel Toire, zonde van de Toire-tijd.’

Zonder verder na te denken sta ik op en loop naar de vensterbank. ‘Toli ga zitten! Op je plaats!’ ‘Rebbe Weisz, ik probeer niet brutaal tegen mijn rebbe te zijn, ik wil gewoon graag weten wat voor een vogel dit is. Het is geen teibele!’ De stem van rebbe Weisz klinkt ineens niet meer boos. ‘Wat voor een vogel het is? Wij leren nu toch echt Choemesj. Terug naar je plaats. Vanmiddag bij de niet-Joodseles vraag je ‘t maar aan de niet-Joodse meester. Daar is die les voor. Wij gaan nu verder met de Heilige Toire.’

‘Toli, wat hoor ik nu weer? Rebbe Weisz is heel ontevreden over jou.’ Met deze woorden houdt rebbe Tannenbaum me in de gang staande, net voordat ik naar huis wil gaan. Rebbe Tannenbaum is de directeur van mijn school. ‘Je let niet op bij choemesj, je loopt van je plaats weg. Dat kan toch zomaar niet in de klas?’ ‘Ja, rebbe Tannenbaum, maar er zat een vogel bij het raam en die was heel mooi. Ik wilde deze graag zien. En ik wilde weten hoe die heet. Maar toen zei rebbe Weisz dat dat Bitoel Toire is. Maar waarom is dat zo? De Eiberste heeft die vogel toch geschapen, zo’n mooie vogel met blauwe en witte veren?’ Ik voel mezelf ineens groot genoeg om zomaar aan de directeur mijn hele vogelavontuur te vertellen. 

‘Toli, ga mee naar mijn kamer.’ Ik loop achter de directeur aan. Misschien krijg ik wel weer straf. Dat is niet de eerste keer. Hij trekt de flappen van zijn kaftan omhoog en gaat achter zijn bureau zitten. Voor hem ligt een opengeslagen Gemore. Rebbe Tannenbaum veegt wat kruimeltjes tabak van de bladzijde af. Ik blijf bij de deur staan. ‘Hier, Toli, ga op deze stoel zitten.’ Ik kijk om me heen. Alle vier de muren zijn van beneden tot boven bedekt met boekenplanken vol met seforim. Net als bij ons thuis in de achterkamer, waar tatti altijd zijn sjioerim geeft. 

Op de asbak voor rebbe Tannenbaum ligt een pijp. In zijn kamer rookt hij dus, op de gang of in de klas heb ik hem nog nooit zien roken. Doen rebbes soms dan ook stiekeme dingen?

‘Toli, wat heeft rebbe Weisz gezegd toen je vroeg hoe jouw vogel heet?’ ‘De rebbe zei “vraag het maar in de algemene les aan de niet-Joodse meester”.’ Het hoofd van de man tegenover mij gaat langzaam op en neer. ‘Rebbe Weisz bedoelt natuurlijk meneer Smith, die jullie in de middag taal en rekenen leert.’

‘Ja, maar waarom zegt de rebbe dat we dit aan de niet-Joodse meester moeten vragen? Mogen rebbes daar dan zelf geen verstand van hebben?’ Rebbe Tannenbaum pakt zijn pijp en klopt deze leeg boven de prullenbak. ‘Toli, zo praten wij nu eenmaal.’ Rebbe Tannenbaum schudt zijn pijp nog een keer heen en weer boven de asbak. De laatste stukjes tabak vallen eruit. ‘Toli, heb je meneer Smith gevraagd welke vogel met die blauwe en witte veren het geweest kan zijn?’ ‘We hadden taal, moeilijke woordjes, en later moesten we sommen maken. En toen was de les voorbij.’ ‘Weet je wat Toli? Ik zal meneer Smith vragen of hij plaatjes heeft van vogels. Hij heeft boeken met dieren erin. En dan gaan we op zoek naar jouw vogel. Is dat een goed idee?’ 

Ik knik en sta op. ‘Mag ik nu naar huis, rebbe Tannenbaum?’ De directeur knikt. ‘Maar, doe morgen wel weer je best in de klas bij rebbe Weisz. Let goed op en zorg dat de rebbe je niet drie keer hoeft te roepen. Is dat begrepen?’ Ik knik. 

‘Hoe zeg je dat dan Toli?’ ‘Ja, rebbe Tannenbaum. Ik heb het begrepen en zal mijn best doen.’ Ik krijg nog een goedkeurende blik en mag gaan. 


Peijes
Lange pijpenkrullen, behorende bij de chassidische dracht
Chassidim
Een devote stroming binnen de Joodse gemeenschap
Teibelech
Duiven 
Posoek
Vers in de Tenach
Choemesj
Deel van de Tora
Toire
Tora
Eiberste
De Eeuwige
Gemore
Deel van de Talmoed
Seforim
Boeken
Tatti
Vader
Sjioerim
Leervoordrachten 
Bli neder
Zonder een eed af te leggen


cover: Orthodox-joodse jongen in Londen, beeldkeuze auteur

Over Lody van de Kamp 101 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

2 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*