24 oktober 2012
‘Jaffa, heb je het niet koud?’ ‘Ik heb vandaag mijn winterjas al tevoorschijn gehaald’. Bij de bibliotheek steken we de drukke High Street over en lopen Dunsmure Road in.
Jaffa draait zich om. ‘Is dit de bibliotheek waar jij jouw eerste boeken haalde?’ ‘Ja. Dat is de plek waar mijn vader ze ook weer boos terug heeft gebracht!’ We lachen samen. ‘Wat hebben we toch een gek leven. Jij bent overdag jesjiewe-bochur maar ’s avonds zit je in onze club in Windus Road. En ik leid ook zo’n dubbelleven. Thuis braaf het vrome meisje, maar zo gauw ik de deur achter me dicht doe ben ik op zoek naar ander gezelschap.’
Ik merk een trilling in Jaffa’s stem bij het uitspreken van haar laatste zin en kijk haar aan. ‘Jaffa, vertel eens. Vind je dit leven, of eigenlijk dit dubbelleven lastig?’ We staan stil. Ze wrijft met haar mouw over haar ogen en knikt. Nu hoor ik die brok in haar keel. ‘Ja, echt wel. Het lijkt in de club voor ons allemaal zo’n vrolijke boel. Maar zo leuk is het echt niet.
Mijn moeder begrijpt niet wat er allemaal in mijn hoofd speelt. Vaak denk ik dat ik de club de club maar laat en weer gewoon thuis met alles mee ga doen. Mijn make-up gaat dan in de vuilnisbak. Mijn losse haar weer in een paardenstaart. En mijn tehillim komt weer op mijn nachtkastje te liggen in plaats van al die damesbladen.’ Zwijgend lopen we door. ‘Nee Toli, het is echt heel lastig. Want aan de andere kant weet ik ook dat ik dit leven zoals thuis echt niet altijd vol zal kunnen houden. Over twee jaar of misschien nog wel iets eerder staat de sjadchen voor de deur. En ik hoef echt niet voor mijn twintigste al de eerste baby in de wieg te hebben. Voor mij hoeven er later ook geen acht of tien kleintjes rond de tafel te zitten. De gedachte dat dit ook mijn toekomst is maakt me soms doodsbang’. Weer wrijft Jaffa met haar mouw over haar ogen.
Ik ben twee jaar jonger dan Jaffa maar wel een kop groter. Daardoor beschouwt ze mij misschien ook als haar leeftijdgenoot. Ik herken veel in wat zij zegt. ‘Bij mij thuis is het niet m’n moeder die me niet ziet zitten. Het is m’n vader die me niet begrijpt. Of niet wil begrijpen. Ik ben de oudste zoon. Hij wil dat ik ooit de opvolger van zijn grootvader wordt. Die was Rebbe ergens in Oost-Europa. Iets wat mij nou weer helemaal niet boeit. Als je het mij vraagt ben ik voor hem de grote teleurstelling. Ik heb wel heel veel aan m’n moeder. Ik kan met haar openlijk praten over wie ik eigenlijk buiten de jesjiewe ben. Natuurlijk vertel ik niet alles wat ik doe. Ze weet niet dat ik naar de club ga. Dat zou haar verdriet doen.’
‘Toli, denk jij wel eens aan Tesjoewe? Dawwen jij nog wel?’ ‘Grappig dat je dat vraagt Jaffa. Ja, elke dag. Ik ga ook naar sjoel. Net als vroeger. Op de een of andere manier is dat toch mijn houvast.’ Jaffa haalt uit de zak van haar jas een kleine siddoer tevoorschijn. ‘Hier, kijk eens. Zij wijst met haar vinger naar de voorkant van het gebedenboekje. Met goudkleurige letters staat haar naam daar op afgedrukt ‘Sheindel’.
‘Je weet toch dat dit mijn echte naam is? Deze siddoer heb ik van mijn bobbe gekregen. Ongeveer een jaar voordat ze overleed. Het was zo’n lief vrouwtje. Alleen door haar dawwen ik nog steeds iedere dag. Ik ga nooit de deur uit zonder deze siddoer.’ Jaffa brengt het boekje naar haar mond en drukt er zachtjes een kus op. We staan stil op de hoek van Durly Road, uit het licht van de lantarenpaal. Schuin aan de overkant woont Jaffa. ‘Dank je wel Toli, dat je me naar huis hebt gebracht. Hoe laat is het nu?’ Ik kijk op mijn horloge. ‘Tien voor half twaalf.’ ’Ik denk dat mijn vader en moeder al slapen’.
Jaffa kijkt me nog een keer aan. Ze bindt haar losse haar weer in een staart. ‘Toli, ik geloof dat wij elkaar wel begrijpen. Zouden de mensen daar achter al die voordeuren met de mezoezes ooit gaan inzien wat er in de hoofden van de jongens en meisjes in de club speelt?
Of leven wij en de anderen van de club in een droomwereld die ons ooit terugbrengt naar het oude vrome leven van toen we nog klein waren?’
Ik weet niet wat ik hier op moet zeggen. ‘Jaffa, je moet me niet van die moeilijke vragen stellen hoor. Alleen de Eiberste weet dat.’ Ze glimlacht. ‘Ik hoor het mijn vader zeggen. Toli, wanneer zien we elkaar weer? Zondagavond op de club? ‘Ja, ik kijk er naar uit. Dag Jaffa.’
Ik blijf wachten tot ze de stoep bij de voordeur oploopt. Jaffa draait zich nog één keer om en zwaait. ‘Laila Tov Tol’ zegt ze zachtjes.
Jesjiewe-bochur: Talmoed student
Tehillim: Psalmenboekje
Schadchen: Huwelijksmakelaar
Tesjoewe:Tot inkeer komen
Dawwenen: Bidden
Bobbe: Oma
Laila Tov: Goedenacht
Geef als eerste een reactie