Aan de geschiedenis van Amsterdam is een bijzonder verhaal toegevoegd over De Hacquartstraat, een weinig bekende straat verstopt achter het Concertgebouw.
Dit verhaal is afkomstig van de cultureel antropoloog en fotograaf John Kleinen, zelf bewoner van deze straat. Kleinen beweegt van buiten naar binnen, van algemeen naar gedetailleerde beschrijvingen.
Steeds meer journalisten zoals Joris Luyendijk omschrijven hun beroep als ‘cultureel antropoloog’. Nadrukkelijk dompelt Luyendijk zich in 2025 onder in de microkosmos van de financiële wereld in de Londense City. Hij schreef daarover een blog voor The Guardian dat resulteerde in het veelgelezen boek Dit kan niet waar zijn: onder bankiers.
Kleinen is een antropoloog, zijn werkwijze lijkt op die van Luyendijk hoewel voor Kleinen niet echt sprake is van ‘onderdompelen’ in een vreemde microkosmos. Want hij woont met zijn gezin al sinds 1982 in De Hacquartstraat. Regelmatig kloppen vorige bewoners aan de deur die nog een blik willen werpen in hun (groot)ouderlijk woonhuis. Dat prikkelde zijn belangstelling, zo ook de vondst van een onderduikplaats in zijn eigen woning.
Bevrijding was geen cesuur
De nadruk legt Kleinen op de bewoners van de straat, waarvan het merendeel van joodse komaf was. Hun lotgevallen worden zo veel mogelijk chronologisch beschreven, van de bouw van deze straat halverwege de jaren twintig tot na de bevrijding.
Kleinen: “De bevrijding van 5 mei 1945 was voor veel straatbewoners geen cesuur. Volgens een Joodse overlevende volgde een lange periode van chaos en een onzeker bestaan.”
Twee architecten Philip Anne Warners en Gerrit Jan Rutgers
Kleinen onderscheidt de straat grotendeels in twee delen die genoemd zijn naar de architect ervan. De straat is een mengvorm van enerzijds het monumentale en modernistische woningblok van Philip Anne Warners (1888-1952) en de strakke, naar de Banstraat ombuigende, gevelwanden van Gerrit Jan Rutgers (1877-1962). Die ontwierp ook de baksteenrode laagbouw aan het eind van de straat die zich sierlijk beweegt richting de Cornelis Schuytstraat en de Reijnier Vinkeleskade. Een opvallende dissonant in het midden van de straat lijkt een dubbele villa onder een kap op nummers 15 en 17.
Gevarieerde samenstelling van bewoners
De bewoning van de straat komt aarzelend op gang. Op basis van adresgidsen stelt Kleinen vast dat het aantal inwoners stijgt tot ongeveer dertienhonderd in 1940.
Dat zijn niet alleen eigenaar-bewoners met hun gezinnen, maar ook huurders, kostgangers en inwonende dienstbodes, allerlei mensen die er vaak tijdelijk wonen. De meeste bewoners zijn welgestelde mensen zoals ondernemers, bankdirecteuren en medici, voor wie deze chique straat grotendeels was bedoeld.
Frans van Leer – Netty Daniëls
Tot de eerste bewoners behoort het echtpaar Frans van Leer – Netty Daniëls. Zij waren een jaar eerder via Rotterdam met twee hun zonen uit Nederlands-Indië teruggekomen. Zij betrekken in 1924 het nieuwbouwhuis op nummer 5, in het woonblok van architect Rutgers.
Frans van Leer is een neef van de bekende vatenfabrikant Bernard van Leer. Vanaf 1932 leidde Van Leer de Nederlandsche Behangselpapier-Industrie Goudsmit-Hoff in Amsterdam-Noord. In 1937 tekende de Rijksduitser Rudolf Kolbe een overeenkomst met de eigenaren van Van Leer en Goudsmit-Hoff. Wat niemand toen voorzag was dat het bedrijf met zijn Joodse eigenaren door deze constructie tijdens de oorlog in grote problemen zou geraken.
Meer dan de helft waren Joods
Naast de Van Leers telt De Hacquartstraat meer Joodse inwoners. Meer dan de helft van de huizen, 17 van de 32, werd tijdens de oorlog bewoond door mensen van Joodse afkomst.
Onder hen vluchtelingen uit Duitsland die goed op de hoogte zijn van wat hen te wachten staat. Andere Joodse bewoners proberen snel na 10 mei 1940 een goed heenkomen te zoeken.
Frans en Netty van Leer sluiten zich aan bij het verzet, duiken daarna onder, maar overleven de oorlog uiteindelijk niet. Een van hun zoons overleeft wel de Holocaust. Sommige bewoners van De Haquartstraat benemen zichzelf na de Duitse inval van het leven.
Uit egodocumenten blijkt later dat bewoners in de loop van 1942 de arrestatie van hun buren hebben meegemaakt en dat zij weten wat hun lot is. Daarom spreekt John Kleinen over ‘schuldige’ huizen, woningen die, analoog naar Armando’s ‘schuldige landschap’, veel leed zagen in de bezettingstijd.
Ivo Schöffer versus Loe de Jong
Straatbewoner Ivo Schöffer, emeritus hoogleraar vaderlandse geschiedenis, heeft er in de jaren zestig nog een fel meningsverschil over met Loe de Jong.
Schöffer: “Wie goed oplette kon vermoeden wat er met de Amsterdamse Joden was gebeurd. (…) Loe de Jong en zijn medewerkers waren destijds van mening dat het wetenschap achteraf moet zijn geweest.” “Maar ik weet zeker”, aldus historicus Schöffer, “dat ik toen een Joodse vrouw heb gewaarschuwd voor deportatie: u weet welk vreselijk lot u wacht. Ik kwam aan in 1941, het jaar van de Februaristaking en het jaar waarin ik voor het eerst hoorde over doodsberichten in concentratiekamp Mauthausen”.
In zijn eigen woning heeft Kleinen tal van sporen uit de bezettingstijd aangetroffen. Het blijkt het huis van de Van Leers te zijn geweest.
Kleinen: “In de benedenwoning is nog altijd een onderduikplek zichtbaar. Onder de vloer van de woonkamer aan de voorkant van het huis bevindt zich een betonnen schuilplaats voor een persoon. Op de eerste etage zat ooit een vluchtdeur naar de bovenverdiepingen en het platte dak, dat op zijn beurt weer toegang gaf tot de aanpalende huizen. Andere sporen uit het verleden vond ik zelf achter een plint: zwart-witnegatieven die duidelijk uit de vooroorlogse periode stamden.”
Onverwachte visite
Vele jaren later meldde zich onverwacht een bezoeker uit Australië die zich voorstelde als Dick van Leer. Hij bleek een zoon van Frans te zijn. Hij wilde graag zijn ouderlijk huis nog eens bezoeken, waar hij voor en tijdens de oorlog met zijn ouders woonde. John Kleinen: “Ik toonde hem ook de negatieven, waarop hij zichzelf en zijn oudere broer Ed herkende. Hij liet zijn adres in Sydney achter, waar hij naam had gemaakt als ontwerper en binnenhuisarchitect, en nodigde me uit om langs te komen als ik in de buurt was.”
Kleinen: “Toen ik in 1997 van een studieverlof genoot aan de Australian National University besefte ik te laat dat ik deze uitnodiging had gekregen. Bij het schrijven van dit boek kwamen herinneringen aan hem weer boven. Ik las zijn memoires en kwam zo meer te weten over zijn familiegeschiedenis die zich dus deels afspeelde in De Hacquartstraat. Een plaats van herinnering.”
Zeg eens A
Hoe onbekend ook, wandelend door de Hacquartstraat en de nabijgelegen Concertgebouwbuurt, kan men veel vertrouwde indrukken ervaren. Want voor verschillende makers van films en tv-programma’s was die omgeving een geliefd decor. Eén van de bekendste daarvan is Zeg eens A, de serie met Carry Tefsen als Mien Dobbelsteen. De naam van haar personage zou een verwijzing zijn naar de zwart-wit geblokte huizen van Warners.
John Kleinen, De Hacquartstraat, Herinneringen aan goed en kwaad in Amsterdam-Oud-Zuid.
Uitgeverij Boom, Amsterdam 2025
ISBN 9789024467419
304 pagina’s, € 29,90
cover: zwart-wit geblokte huizen van architect Philip Anne Warners
Geef als eerste een reactie