We hebben een postbode. Zij is, denk ik, achter in de vijftig. Het is een hele kwieke dame die in sneltreinvaart van het ene huis naar het andere vliegt. Zij is niet bij te benen.
Ongeveer een jaar geleden kom ik op sjabbatochtend na de sjoeldienst onze straat inlopen. In de verte zie ik onze postbode
als in een marathon de post bezorgen. Ik kom in de buurt van ons huis, bij huisnummer 14, een paar huizen vanaf het mijne.
Meneer Goldstoff, mag ik u uw post meegeven? En die van uw buren, dat scheelt mij weer een loopje. Ik neem de twee stapeltjes post in ontvangst.
Ik zie dat u het NIW krijgt, zegt ze. Ik kijk haar met een blik vol ongeloof aan. Hoe weet u dat? Het NIW was toen al verpakt, onzichtbaar voor een buitenstaander. Zij geeft aan dat zij het NIW eveneens leest.
Mag ik u vragen of u Joods bent? Nou ja, niet zo lang geleden ben ik erachter gekomen dat ik Joods bloed heb. Maar door de oorlog hebben mijn ouders dat verzwegen. Mag ik weten wat uw naam is?
Van Raalte, Wietske van Raalte. Ik ben Ephraim Goldstoff, ja dat weet ik. Heeft u familie, vraag ik? En nee, niet dat ik weet.
Ik ken een familie Van Raalte. Zij wonen op de Apollolaan. U bekend? Nee. Ik zal ze volgende week bellen.
U kunt mij uw nummer doorsturen naar mijn nummer, dat zal ik u geven. Dan zal ik verbinding leggen tussen u beiden. Dank u wel, meneer Goldstoff. Het bleek geen familie te zijn.
Afgelopen week werd ik weer door de postbode aangesproken.
Meneer Goldstoff, ik moet u wat vertellen: ik loop door de Leidsestraat en bots tegen een lange man aan. We raken in gesprek. Hij kwam uit Australië om zijn Nederlands-Joodse roots te onderzoeken. Zij vraagt naar zijn naam, Van Raalte zegt hij. Ik heet ook Van Raalte.
Voor de oorlog waren er twee broers, de ene is Joods gebleven, de ander is protestant geworden en in de kerk getrouwd.
Dat was haar grootvader. Wat een ongelofelijk toeval.
cover illustratie Françoise NIck
Geef als eerste een reactie