Hasjiweinoe, Hij laat ons terugkeren

Epiloog

illustratie Mokum op de Gracht

14 augustus 1943

Door de openstaande kazernedeuren loop ik naar buiten. Twee van de autospuiten zijn nog niet terug. Ook de ‘Jan van der Heiden’ ligt niet aan de kade. Het moet dus wel een behoorlijke fik zijn. De klok naast de poort vertelt me dat het tien voor twee is. Eigenlijk had ik al lang willen slapen. Maar niet in de kazerne. Voor mij is dit de laatste nacht.

Ik steek voorzichtig door de kapotte ruit van de achterdeur mijn arm naar binnen, draai van binnenuit de sleutel om en duw de klink omhoog. Even later zit ik in de Grote Sjoel op mijn eigen plekje naast de bank waar papa altijd zat. Het Eeuwige Licht, de lamp voor de Oroun Hakoudesj geeft me in de donkere gebedsruimte genoeg licht om ma’ariev te oren.

Mokum op de Gracht, een roman van Lody B. van de Kamp,
verschijnt in feuilletonvorm in De Vrijdagavond

Aflevering 53

Ik denk niet dat ik ooit eerder hier helemaal alleen midden in de nacht heb gezeten. Waarom zou ik ook? Deze nacht is toch wel bijzonder. Ik leg mijn plunjezak op de bank als hoofdkussen. Mijn jas trek ik over me heen. Voor deze laatste uren die ik in Mokum doorbreng heb ik een plekje uitgekozen waaraan ik, behalve thuis natuurlijk, de meest dierbare herinneringen heb. Vanaf deze plek, waar ik nu lig, zag ik papa met het koor naar voren lopen. Dat was vóór dat hij op zijn schouder werd geklopt met de boodschap dat hij zijn heil maar in een buurtsjoeltje moest gaan zoeken. Arme sloebers die hun baantje bij Asscher kwijtraakten, horen niet in de Grote Sjoel.

Chazzen Maroko zette de eerste woorden in. Meteen daarna klonk papa’s tenorstem “Hasjiweinoe Hashem Eilecho, Breng ons, Eeuwige, tot U terug.” Terugkeren naar Hasheim? De deuren van de Oroun Hakoudesj, de Heilige Arke, opengeschoven. De Touro-rollen? Waar zijn die gebleven? Zouden die moffen die ook hebben geroofd?

Over een paar uren ligt Mokum achter mij.

Papa’s stem klinkt luider. “Wenosjoewo, en laten wij naar hier terugkeren”. Ooit, wanneer de vijand weer plaats maakt voor hen die zij nu vervolgen. Dan zullen wij Jidden terugkeren. Het koor zingt nu luider. “Chadeisj jomeinoe kekedem, vernieuw onze dagen als vanouds”. Ja, dan zullen wij terugkomen naar Mokum.

De Grote Sjoel, schilderij Martin Monnickendam

Wie zullen er terugkomen? Waarvandaan zullen zij terugkomen? Ik probeer deze sombere gedachten van me weg te duwen en sluit mijn ogen. Met het beeld van die hele volle sjoel, de brandende koperen kroonluchters, de statige hoge hoeden, het glanzende zilver op de fluwelen Touro-mantels met op de achtergrond de sonore stem van de chazzen val ik in slaap. “Laten wij terugkeren, vernieuw onze dagen als vanouds”.

Met mijn plunjezak over mijn schouder loop ik stevig door. De bakkerij zit natuurlijk nog steeds op slot. Onder de luifel staat de stoel van bakker De Liever. Daarop zat hij altijd te wachten tot zijn bolussen uit de oven konden of tot iemand een halfje bruin kwam halen.

Vanaf de Nieuwe Keizersgracht gun ik de Amstel een laatste blik. Aan de overkant zie ik nog net het huis van de notaris. Met die hertenkop aan de muur. Daar kreeg ik mijn eerste klusjes. De enveloppen rondbrengen aan de vluchtelingen uit Duitsland. Dat was nog voor dat wij hier oorlog hadden.

De Nieuwe Achtergracht met mijn portiek laat ik snel achter me. Wat doet dit pijn. Papa, mama, de broertjes.

Ik zie Luuk staan. Tegenover het Weesperpoortstation. Precies op de plek die we hadden afgesproken. Hij zit op de bok naast de man die de leidsels in zijn handen houdt. Luuk wenkt met zijn hoofd. ‘Spring maar op de wagen’.  Ik gooi mijn plunjezak op het rijtuig en zoek voor mezelf een plekje tussen de kisten en de vaten die er liggen. De koetsier klakt met zijn tong en de paarden beginnen te lopen. Luuk draait zich naar mij om. ‘Deze baas brengt ons tot halverwege Utrecht. En dan zien we wel hoe we verder naar Zeeland komen’.

Ik maak het me gemakkelijk op de wagen. Met mijn rug naar de bok leun ik tegen een kist. Vóór mij wordt het grijze gebouw met al die ramen, de Joodsche Invalide, steeds kleiner. Een leeg glazen monument voor al die arme zielen die de moffen hebben weggesleept. Ik laat een buurt achter die alleen maar leger wordt. Elke dag. De Nieuwe Prinsengracht, Keizersgracht, Herengracht, Vlooienburg. Wat ooit Mokum aan de Gracht was, is verworden tot Moffen op de Gracht. Ik draai me om. We laten Amsterdam achter ons. De paarden draven stevig door. Zachtjes neurie ik, ondanks het verdriet. De woorden van vannacht in sjoel. Ja, we komen terug. Wanneer? Alleen Hasheim weet dat. Maar we komen terug. Hasjiweinoe. Hij laat ons terugkeren. Hij zal onze dagen vernieuwen als vanouds. Als vanouds Mokum op de Gracht.

Einde

Oroun Hakoudesj: De Heilige Arke in de synagoge

Ma’ariev oren: Het avondgebed uitspreken

Hasjiweinoe Hij laat ons terugkeren”

Over Lody van de Kamp 88 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*