Ki Tisa – wat is uw bijdrage?

beeldmerk Parasja
Print Friendly, PDF & Email

Goed beschouwd zitten we in Nederland in een verschrikkelijke situatie. Een kleine, kwetsbare Joodse gemeenschap (voor zover daar sprake van is) met een infrastructuur (of resten van een infrastructuur) voor een gemeenschap van 130.000 mensen, waarvan het onderhoud en beheer, zowel het financiële als emotionele beheer, opgehoest moet worden door een paar honderd mensen.

Want dat is de situatie in Nederland: tien procent van de Nederlandse Joden is “nog over”; tien procent daarvan is lid van enige vorm van Joodse organisatie, tien procent daarvan gaat met enige regelmaat naar activiteiten, en tien procent dáárvan zit in ongeveer alle Joodse besturen van Nederland. En binnen Joods Nederland schat ik dat ongeveer 90 procent van de beschikbare middelen wordt uitgegeven aan ongeveer 10 procent van de mensen. Pin me er niet op vast, want ik ben gediagnosticeerd calculofoob, dus ik kan er een beetje naast zitten. Maar de redenering klopt.

Waar we het niet van moeten hebben, zijn de boven ons gestelden. Uitzonderingen daargelaten, maar laat ik het eens bot zeggen: de instituties hebben ons in de steek gelaten. De kerkgenootschappen, de fondsen, de officials en de weekbladen: ze hebben er niet voor gezorgd dat er een Joodse gemeenschap is die een veilige omgeving biedt, waar mensen zich niet hoeven te schamen voor wie ze zijn, waar mensen zich veilig weten. Dat er geen Nederlandse siddoer voor beginners is, zodat mensen zich prettiger voelen in sjoel, is een schande. Dat er een weekblad is waarvan de schrijvers vinden dat ze andere Joden zwart moeten maken, is een schande. Dat er geen moreel leiderschap getoond wordt in politieke discussies: het is allemaal op zijn minst teleurstellend.

Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat we het allemaal ook laten begaan. Tegelijkertijd moeten we ons óók realiseren dat de mensen die ik zojuist allemaal de schuld gaf vast hun best doen, en óók boos zijn: omdat we niet naar sjoel gaan, hun blad niet lezen, niet genoeg gemotiveerd zijn, of wat dan ook. En zo staan we briesend met de koppen tegen elkaar.

Terug naar de parasja.

Mozes zit op de berg met de Eeuwige te praten en die arme Israëlieten beneden maken – calculofoob als ze zijn- een rekenfout (zou hij niet na 40 dagen weer terugkomen? Het is nu de veertigste dag! We zien hem vast nooit terug!), raken in grote onzekerheid en verlangen een totem. Aäron kan dat leveren, Mozes komt – na 40 dagen, en niet op de 40e dag – naar beneden, wordt boos, breekt stenen tafels. God boos, mensen dood. Enfin, dat verhaal kent u.

Maar daarvoor is iets bijzonder gebeurd. Aan het begin van de parasja wordt verteld hoe het belastingstelsel werkte. Van iedere Jood werd een kleine bijdrage verwacht: een halve sjekel. En hoe je het wendt of keert: dat genereerde betrokkenheid. Aan de ene kant zorgde die belasting van een halve sjekel misschien voor de verwachting dat Mozes alles voor ze zou regelen; aan de andere kant, zorgde het ervoor dat het Joodse volk zich als collectief van belastingbetalers kon organiseren tot een briesende massa die zekerheid eiste waar er geen zekerheid gegeven kon worden.

Een bijdrage leveren genereert macht.

Daarom: wacht niet af totdat het bestuur van het NIK of de LJG iets gaat doen waardoor je je aangesproken zal voelen. Wacht niet af tot het NIW een fatsoenlijk stuk produceert. Wacht niet totdat er een Nederlandse Rabbijn opstaat waar je vol verwachting de televisie voor aanzet als die aanschuift bij een actualiteitenprogramma, maar wees wel ongerust en gretig, en betaal een halve sjekel. Lever een bijdrage. Schrijf een stukje, bel eens iemand op, doe een mitzwe, want alleen als jij wat doet, hoe klein ook, verandert er wat.

Ieder klein stapje verandert de wereld.

Sjabbat sjalom.

Over Robbert Baruch 11 Artikelen
Robbert Baruch (1967) studeerde Politieke Filosofie, Bestuurskunde en aan een yeshiva, maar maakte alleen de eerste studie af. Hij woont in Den Haag en werkt als lobbyist in de muzieksector.

2 Comments

  1. Laat ik het eens bot zeggen waarde vriend Robbert: “…dit is gelul van een dronken aardbei” [met dank aan Koot & Bie]. Kijk eens hoeveel een fonds als Maror bijdraagt aan niet kerkgenootschappelijke instellingen. En vraag eens na bij je buren van Levi Lassen….vooroordelen, vooroordelen

  2. Dank voor je bericht. Ik den dat het grootste gedeelte van de Nederlandse Joden weinig tot niets heeft aan het geld dat via de Lassens en de Marorren worden verspijkerd, en dat dat wát er wordt verspijkerd voor het grootste gedeelte bij een klein gedeelte terecht komt, dat daar ook nog eens de verkeerde prioriteiten mee stelt. En dat is geen toeval maar design: ik kan me de gevechten aan het begin van het traject. waar de organisaties elkaar de tent uitvochten om mee te mogen delen, nog goed herinneren. Feit is: we hebben geen leiderschap, geen identiteit, geen infrastructuur. Mijn hoop is gevestigd op Habonim, Bne Akiwa en Netzer: ik zie dat daar jonge mensen uitkomen die veel breder kijken dan in onze situatie en die van een generatie eerder gebruikelijk was. Shabbat shalom.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*