Geschiedenis gaat over lijken

Print Friendly, PDF & Email

Normaal gesproken begint de aandacht voor de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog pas eind maart, begin april zichtbaar te worden op de NPO, maar nu de Auchwitzherdenking eind januari ook mooie beelden oplevert, is ook dat een bron van mooie beelden aan het worden. Commercie, gebrek aan historische interesse en intellectuele gretigheid, vooroordelen en politieke aanpassing aan de Zeitgeist maken van herdenkingen respectloze en anti-intellectuele shows. 

Liever Dier dan Mens van Pieter van Os is een prachtig, respectvol, geleerd en noodzakelijk boek dat in schril contrast staat met de presentatie ervan, in het kantoor van de uitgeverij, in een grachtenpand in Amsterdam.

Deze massjerk duurde met een oponthoud van 3 minuten ongeveer twee uur. Grachtengordeldieren klopten elkaar op de schouder, lebberden elkaar af (er was, zoals op de meeste Gojse feestjes te weinig te eten en veel te drinken) en feliciteerden elkaar met de ene spitsvondigheid na de andere. Eén mevrouw had wel een heel grappige zin gevonden in het boek: je kon eruit afleiden dat de schrijver bedoelde te zeggen dat iemand vier wenkbrauwen kon hebben. Bulderend gelach versterkte de opgewekte sfeer.

Op enig moment was het uit met de pret. Een moment van stilte en bezinning werd aangekondigd. De vernietiging van de Joden is immers een serieuze zaak. Het onderwerp van het boek werd in rolstoel naar binnen gereden, haar kleinzoon speelde “My Yiddishe Memme”, want, zo zei iemand van de uitgeverij “het verhaal moet verteld worden”. Het serieuze onderdeel van de bijeenkomst was daarmee afgesloten, en het signeren van het boek kon daarna in opgewekte sfeer beginnen.

“Het verhaal moet verteld worden” als er wat aan te verdienen valt. Ik probeer al een jaar of drie, vier zonder succes enkele oorlogsverhalen te delen en gepubliceerd te krijgen. “Het verhaal moet verteld worden”. Maar wel alleen als er wat aan te verdienen valt. Dat zeg ik niet alleen op basis van deze bijeenkomst van de bovenlaag van de literaire samenleving, maar er zit ook enige persoonlijke frustratie bij, die ik eerlijkheidshalve deel: ik probeer al een jaar of drie, vier wat oorlogsverhalen te delen en gepubliceerd te krijgen.

Zonder succes, maar bij de uitgeverij waar “Liever Dier dan Mens” uitgeven werd, was ik al met zo’n dedain behandeld, dat ik er wellicht beter aan had gedaan de boekpresentatie niet te bezoeken.  Maar ja, Pieter is een vriend, en vriendschappen, zeker met slimme mensen, en zeker met mensen die wat doen met hun intelligentie, zijn schaars.

Ahrdroeja.

Erich Baruch zat met zo’n 20 andere Joden ondergedoken op (of liever gezegd onder) Het Kervel, een groot huis even ten westen van Hengelo. Daar zat ook ene Gerda Kahn, moeder van drie jongens: Eric, Robert (Robbie) en Harry. Robbie kon naar een onderduikadres maar had geruild met Eric, zodat alleen Robbie en Harry bij hun moeder waren. Iedere dag mocht een klein aantal mensen even het huis voor frisse lucht en nét toen Harry en Robbie met twee anderen buiten waren, kwam de Landwacht die hen arresteerden; ze zijn na een gevangenschap in Arnhem en een verblijf in Westerbork meegegaan met de laatste trein die uit Westerbork naar Auschwitz vertrok.

Erich die dat nog niet wist, maar wel vermoedde, schreef en tekende een boek erover:  Ahrdroeja. Het gaat over de angst van de kleine Harry die met zijn moeder en broer Robbie op de vlucht is voor een monster. Het verhaal: de angst van de onderduik, de leefomstandigheden, de vlucht en tevergeefse zoektocht van moeder naar haar kinderen een hoopgevende vogel voor het gevangenisraam en de gelukkige hereniging na de vernietiging van de het monster Ahrdoeja.

Erich heeft het na de oorlog uit proberen te brengen, en ik heb er dus ook tevergeefs bij uitgevers en agenten mee voor de deur gestaan. Het probleem is: het is geen kinderboek en geen boek voor volwassenen. De schrijver is dood en kan dus niet goed voor PR-doeleinden gebruikt worden. Het verhaal moet misschien wel verteld worden, maar het kan niet verteld worden, want het levert te weinig op. En verder moet ik vooral niet denken dat ik iets interessants of relevants te melden heb.

Maria Weinberg

Toch denk ik van wel. Mijn overgrootmoeder heeft geprobeerd ontslag te nemen bij Zeiss. Haar oorspronkelijke ontslagbrief heb ik niet, maar wel het antwoord van de bedrijfsleider die haar zakelijk uitlegde dat hij niet op haar ontslagverzoek kon ingaan omdat er immers sprake was van dwangarbeid. De ontberingen tijdens haar kort hierop volgende gevangenschap in Theresienstadt en het Kamp voor Ontheemden in Deggendorf (juist Deggendorf dat vanaf de moord op de Joodse gemeenschap in 1337 totdat in de jaren ’90 Johannes Paulus II daar een einde aan maakte schatrijk werd met de jaarlijkse bedevaart die om die slachtpartij te herdenken jaarlijks georganiseerd werd!) uitgeput in 1946 zelfmoord pleegde in Iserlohn. Iserlohn: van alle treurige bruinuitgeslagen steden van het Ruhrgebied misschien wel de treurigste en meest bruin uitgeslagen, reden waarom een gedeelte van de familie denkt dat ze misschien door iemand anders opgehangen is.

Bij een oom staat een halve meter archief met brieven en notities die opeenvolgende golven van verdriet, weerbarstigheid en gekte laten zien. Ik heb ermee geleurd bij archieven, het NIOD en uitgeverijen, maar om uiteenlopende redenen is niemand geïnteresseerd.

Heinz Weinberg

Nog een verhaal: zoals de meesten van zijn generatiegenoten vertelde mijn grootvader niets over zijn jonge jaren. Wat ik van hem wist: zijn tanden waren eruit geschopt tijdens een verhoor, hij heeft enige tijd op de Gedempte Botersloot in Rotterdam als vluchteling geleefd en is op een uienboot naar Engeland gevlucht waar hij -Duitser immers- vastgezet werd in een kamp. Totdat een paar jaar geleden een nieuw boek uitkwam waar instond dat hij verdacht was geweest van betrokkenheid bij de Rijksdagbrand. Na enig speurwerk vond ik de verslagen van zijn stagegenoten die bij de politie hadden verklaard dat mijn latere grootvader een paar dagen voor de brand had gezegd dat “Die Hitler binnenkort wel opgeblazen zou worden”, dat Heinz Weinberg bekend stond als communist en dat ze verder niets te verklaren hadden. Dit was reden om -hoewel de communisten na de Rijksdagbrand allemaal waren opgepakt en meestal na korte tijd weer waren vrijgelaten – Heinz weer op te pakken en aan de tand te voelen. Met bekend resultaat tot gevolg en een jarenlang verblijf in één van de eerste concentratiekampen wat hem een levenslange vriendschap opleverde met de latere top van de SED.

Sophia Meijer

Nog eentje dan: een verre tante van mij werd er in 1931 van verdacht in Oude Pekela haar man te hebben willen vermoorden. Na een reeks tragische omstandigheden (waaronder die dat haar schoonvader een buurman betaalt om met haar de liefde te bedrijven en dat zo arrangeert dat diens vrouw en een andere man er getuige van kunnen zijn zodat mijn oom van mijn tante kon scheiden: een interessante rechtszaak is het gevolg) komt in een TBS-kliniek terecht waardoor ze de oorlog kan overleven. Ze spreekt nooit over haar Joodse achtergrond totdat ze -inmiddels ver in de 80- een nieuwe Duitse buurvrouw tot appelmoes slaat waarop haar Joodse identiteit uitkomt en ze de rest van haar leven gesedeerd doorbrengt.

Maar ik heb er meer, en ze zijn niet allemaal aan de Tweede Wereldoorlog gerelateer. Ik heb, onder andere op zoek naar de taboe verklaarde familiegeschiedenis, een slordige 200.000 kilometer op de motor door Europa gereden. Die geschiedenis is immers onderdeel van de Europese geschiedenis, en het verhaal dat ik (hopelijk wat lichter van toon dan ik dat zelf heb mogen ervaren) overdraag aan mijn kinderen is de geschiedenis van Europa: vluchtelingen voor de inquisitie, vluchtelingen voor de verschrikkingen van de 30-jarige oorlog, actieve oorlogshandelingen tijdens de Spaanse Burgeroorlog, de Roode Hulp, Klassenstrijd maar ook die van de emancipatie van de Joden onder Napoleon, de vraag hoe het is om Staatsburger te zijn na het ontstaan van de eerste Natiestaat van Europa in 1871 en de reactie daarop door het heruitvinden van verschillende vormen van de Joodse orthodoxie. Oh ja, en de Tweede Wereldoorlog. Het voert wat te ver in dit kader om het allemaal uit te leggen, maar het zijn gewoon verdomd interessante verhalen die de moeite zijn om eens wat uitgebreider op papier te zetten.

Cultuur

Uitgevers kijken vooral zakelijk naar de shoah maar er zijn meer redenen waarom de herdenkingscultuur beperkt en eenzijdig is.  

De directe aanleiding om dit alles op te schrijven is Alphonse Alonso, de journalist die onlangs op Radio1 zei dat het verhaal over Sobibór onbekend was. Aanleiding was de vertoning van de Sobibór tapes: de interviews met mensen die betrokken waren bij de opstand in Sobibór. Eén van de verhalen die niet verteld werd, was waarom er zoveel gevangenen nodig waren in het kamp. Dat verhaal is even interessant als luguber: in eerste instantie werden de mensen die vermoord waren namelijk niet verbrand, maar snel begraven. Toen op een gegeven moment het kraanwater begon te verkleuren en te stinken omdat het grondwater met lijkvocht was vermengd, was mankracht nodig om de lijken alsnog op te graven en te verbranden: het aanleggen van een waterleiding zou maar tot vragen leiden.   

De reden dat de naam Auschwitz meer bekendheid geniet dan Sobibór, Bełżec, Majdanek of Treblinka, is het feit dat Auschwitz meer overlevenden kende. Net zoals er over de vooroorlogse Joodse gemeenschap van Amsterdam relatief meer bekend is dan die van Den Haag of Oost-Groningen. En binnen Amsterdam dan nog meer over de rijkere Joden: er was immers een lineaire relatie tussen mate van economische welstand en de kans om de oorlog te overleven.

Veel verhalen over de Joodse gemeenschap of het vermoorden ervan komen bovendien niet goed uit. Opnamen die bij de bevrijding van concentratiekampen gemaakt lagen jarenlang op de plank omdat een al te grote sympathie voor Joden voor de Engelsen niet wenselijk was omdat dat wel eens tot meer sympathie zou kunnen leiden voor Joden die naar Palestina wilden verhuizen. Er waren meer concentratiekampen door Sovietlegers bevrijd dan door andere geallieerden (en misschien hadden ze ook betere cameramensen) en dat was tijdens de Koude Oorlog niet het gewenste nieuws.

Het schuldgevoel dat al in 1942 bekend was dat er op industriële schaal Joden vermoord werden, en het feit dat met name communisten in en na de Tweede Wereldoorlog de concentratiekampen noemden en de overtuiging dat Joden niet alleen hun bescheidenheid en dankbaarheid moesten tonen maar vooral moesten voldoen aan het ideaalbeeld: dood, areligieus, lief en/of een beetje cultureel, draagt verder bij aan de herdenkingscultuur. 

Die herdenkingsporno neemt groteske vormen aan. De Hannie Schaftherdenking, de herdenking van de Februaristaking zijn ontdaan van hun rode verleden. De 4-mei herdenking, Westerbork, het Anne Frankhuis, Madurodam en veel andere plekken zijn bijna Judenrein, en leveren de boodschap “sommige mensen vonden sommige andere mensen niet zo aardig; laten we dus vooral begrip hebben voor elkaar”. Een beetje herdenking kan niet zonder Joodse deelname, maar er wordt met de huidige, brave en marginale rol geen recht gedaan aan het feit dat de helft van de Nederlandse oorlogsslachtoffers Joods was en in bijvoorbeeld Amsterdam, Den Haag en Oost-Groningen het aantal Joodse oorlogsslachtoffers groter was dan het aantal slachtoffers uit het verzet, bombardementen en de hongerwinter. Gezamenlijk. Keer drie.

De Rebbe van Kotzk zei het al: de echte tragiek van ouderdom is dat mensen op latere leeftijd zichzelf alleen nog imiteren. Ze zijn niet meer nieuwsgierig of inventief, maar doen zichzelf na tot de dood erop volgt. In Nederland herdenken we niet, maar doen we herdenkingen na. We schrijven geen geschiedenis, maar vertellen een verhaal dat ons commercieel en politiek uitkomt.

Deel dit artikel.
Over Robbert Baruch 9 Artikelen
Robbert Baruch (1967) studeerde Politieke Filosofie, Bestuurskunde en aan een yeshiva, maar maakte alleen de eerste studie af. Hij woont in Den Haag en werkt als lobbyist in de muzieksector.

2 Comments

  1. Geachte heer Baruch
    kijkt u eens op http://www.amphorabooks.nl de enige echte Joodse uitgeverij.
    Sinds de overname van Gibbon verschijnen bij Amphora veel boeken over de oorlog, met name de Joodse Huizen serie en 6 boeken over de onderduikers van Bert Flim en de DIRECTRICE van de creche Harriette Pimentel en haar helpsters Betty en Sieny..Tevens het Dagboek van Mozes Flinker,recent het dagboek van Bernie ,en meerdere dagboeken in voorbereiding.
    PS Niet te verwarren met het boek van een andere uitgever dat veel passages van onze boeken heeft “geleend” en zich “de creche”noemt .

    Onze missie is om voor het te laat is de ECHTE geschiedenissen te boekstaven voor het nageslacht.
    Vriendelijke groet van Amphorabooks

  2. Robbert, ik heb geen reactie want woorden schieten hier tekort. Maar ik wil je alleen laten weten dat ik het heb gelezen. Simone

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*