28 september 2013
‘Het is niet mijn verhaal. Het is het verhaal van mijn vader. Het gaat over jouw zeider.’ Met mijn handen op m’n knieën zit ik tegenover tattie. ‘Jouw zeider heette net als jij Naftoli. Hij was weer vernoemd naar de Rebbe Naftoli in het graf in Polen waar wij vlak na jouw barmitswe naar naartoe zijn gegaan.’ Ik snap het. Ik had dus een zeider die Naftoli heette. En daarvóór moet er nog een eerdere Rebbe Naftoli zijn geweest. Dit is de eerste keer dat tattie mij vertelt wie die Rebbe Naftoli was. Naar wie mijn eigen zeider en ik dus vernoemd zijn, en van wie tattie had gehoopt dat ik deze nog een keer zou opvolgen.
‘Zeider Naftoli had zich aan het einde van de oorlog verstopt in een van de puinhopen van het verwoeste Getto in Lodz. Heb je gehoord van de stad Lodz in Polen?’ ‘Nee tattie, kwam zeider daar vandaan?’ ‘Nee, zeider was geboren in Lancut, een stadje in Galicië. Hoe hij in de oorlog in Lodz terecht is gekomen weet niemand. Hoe dan ook, er liepen overal nog Duitse soldaten rond in Lodz, op zoek naar Jidden. Zeider moet toen een jaar of veertien, vijftien zijn geweest. Zijn vader en moeder, broertjes en zusjes was hij allemaal al een jaar of wat eerder kwijtgeraakt. Die waren door de Duitsers opgepakt en weggestuurd naar de kampen. Zelf was hij weggerend toen de Duitsers de hele familie kwamen halen.’
‘Hoe zeider de oorlog helemaal alleen daarna in het getto heeft overleefd weten we ook niet. Hij sprak daar nooit over. Uitgeput, meer dood dan levend, werd hij toen de Duitsers weg waren ergens in een half ingestorte kelder door een Russische soldaat gevonden. Deze heeft hem eerst naar een ziekenhuis gebracht. Daar ontmoette hij een Jid die met een groepje uit Erets Jisroeil was gekomen om overlevenden van de oorlog daar naartoe te brengen.’
‘Tattie, waren dat zionisten?’ Tattie moet lachen. ‘Rustig Naftoli, dat komt zo wel.’ Verwonderd kijk ik mijn vader aan. Ik ken hem alleen maar als die tattie die altijd alles wat met Israël en zionisten te maken heeft afkeurt.
‘Je moet weten dat die mensen uit Erets Jisroeil de eerste Jidden waren die hij meteen na de oorlog tegenkwam. En of zij zionisten waren of wat dan ook, dat telde toen niet. Zij zorgen er in ieder geval voor dat zeider te eten had, fatsoenlijke kleren kreeg en vooral kon aansterken. Na een paar weken hebben ze hem met andere kinderen op een vrachtwagen gezet en zijn ze op reis gegaan.
Zeider heeft mij verteld dat ze na dagen aankwamen in een haven in Italië. ‘Gingen ze dan niet naar Erets Jisroeil?’ ‘Ja, daar lag een schip dat hen daar samen met nog heel veel andere Jidden naar toe zou brengen.’ Vlak voor hij in de haven aan boord ging nam hij afscheid van de mensen die hem uit het getto hadden gehaald.
In die korte tijd had zeider zich aan hen gehecht. Zij waren voor hem echt zijn redders. Het waren de enige Jidden die hij nog kende. Eigenlijk wilde zeider niet op de boot. Hij wilde bij hen blijven. Maar dat kon natuurlijk niet. Een paar dagen later moesten de mensen midden in de nacht op zee overstappen in kleine bootjes waarmee ze naar de kust werden geroeid.’ Tattie neemt een slok koffie.
‘En toen begon voor zeider de ellende. Hij kwam met andere jongens en meisjes van zijn leeftijd, allemaal kinderen die de oorlog hadden overleefd, in een soort tentenkamp terecht. Daar kregen ze te horen dat het eten niet koosjer was. En ze mochten niet dawwenen, iets wat hij al die jaren in het getto ook niet had gedaan maar tenminste nu, eenmaal in Erets Jisroeil, wilde hij dat weer doen. Hij wilde leven zoals vroeger vóór de oorlog.
Zeker in het Heilige Land. Zeider verlangde zo ontzettend terug naar die tijd, thuis naar zijn vader, zijn moeder, zijn broertjes en zusjes.’ ‘Tattie, nu begrijp ik waar jouw hekel aan die zionisten vandaan komt’. Niet koosjer? Geen sjabbos hier in Erets Jisroeil? Nadat zeider het getto had overleefd? Als enige van zijn familie?’
‘Ja, dat klopt. Maar mijn verhaal is nog niet helemaal klaar.’ Ik voel dat de spanning stijgt. ‘Ik bestel eerst nog een kop koffie. Jij nog een Sprite of iets anders?’ ‘Sprite is goed.’
‘Na een paar weken werd zeider opgehaald uit dat opvangkamp hier in het land. Zeider Naftoli had hier in Erets Jisroeil nog een mime. Zij was de zuster van zeiders moeder. Hij werd in haar huis opgenomen. En zo kwam hij toch weer in een chassidische omgeving terecht. Wel werd hij daardoor heel antizionistisch opgevoed. Heel streng. Bij het minste geringste wanneer het over Medinat Jisroeil ging riep zijn oom dan “Kijk Naftoli, wat ze met jou hebben gedaan! Als wij jou bij hen niet hadden weggehaald was je helemaal opgegroeid als een sjeikets, hier in de mediene!”
Zo werd zeider dus opgevoed als een felle antizionist. En zo heeft zeider zijn zoon, en dat ben ik, dus opgevoed.’
‘Tattie, maar nu. Jij zei dat je blij bent dat je mij hiernaartoe hebt gestuurd. En je hebt vanmiddag gehoord dat ik niet alleen in de Satmar jesjiewe leer, maar ook klusjes doe voor Magen David Adom en dat ik zionistische vrienden heb in hun jesjiewe in Ma’ale Adumim. En dat ik ook vrienden heb die soldaat zijn in de Zahal.’
Tattie schuift zijn stoel naar voren. Hij legt zijn hand onder mijn kin. ‘Zeider was al heel oud. Ik was bij hem kort voordat hij hier in Jeroesjalajim overleed. Hij vond het moeilijk om nog te praten.
Maar hij vroeg het volgende aan mij: ‘Awrohom, je moet mij twee dingen beloven. Het eerste is, zolang de Mosjieach er nog niet is, moet je je blijven verzetten tegen zionisme. Net zoals ik dat heb gedaan. Jiddisje kinder geen koosjer eten willen geven en geen sjabbes laten houden is het ergste wat zij konden doen. Het andere wat je moet beloven lijkt precies het tegenovergestelde. Dat is dat wij nooit mogen vergeten dat het ook zionisten waren die na de oorlog naar Polen kwamen om Jidden naar Erets Jisroeil te brengen. Zo hebben zij mij op het nippertje gered. Ze hadden geen twee dagen later moeten komen dan was ik vast van de ontberingen daar in het verwoeste getto in Lodz omgekomen.
‘Die daad van de zionisten Awrohom mag je nooit vergeten. Beloof je mij dat ook?” Dit waren zo ongeveer de laatste woorden die ik van zeider heb gehoord. Diezelfde avond was hij niftar.’
Tattie ziet er nu moe uit. Maar hij is nog niet helemaal klaar met zijn verhaal.
‘Naftoli, Toli, mijn hele leven heb ik mij gehouden aan mijn eerste belofte. Geen goed woord voor de zionisten. En mijn hele leven heb ik mezelf ook afgevraagd wat ik moet doen met die tweede belofte. Niet vergeten wat die zionistische mensen in Polen hebben gedaan om jouw zeiders leven te redden. Vandaag heb ik het antwoord gezien.’
‘Laat mij me dan maar blijven verzetten tegen de mediene. Mijn zoon, dus de kleinzoon van zeider, doet wel weer wat goede dingen voor de zionisten. Hij sluit vriendschap met jesjiewe-jongens in Ma’ale Adumin. Hij werkt voor Magen David Adom en hij praat ook met niet zulke vrome soldaten.’
‘Zo ben jij degene die de tweede belofte invult. Toli, jij wordt dan misschien toch niet de Rebbe Naftoli waar ik op had gehoopt. Maar jij vervult die hele grote mitswa van Hakores Hatoif. Zoals jouw zeider dat heeft bedoeld: dankbaarheid voor wat de zionisten voor hem hebben gedaan.’
Hakoras Hatoif Het tonen van dankbaarheid
Zeider Grootvader
Mime Tante
Sjeikets Een niet-Jood
Zajal Het leger in Israël
Niftar Overleden
cover ©auteur
Geef als eerste een reactie