We zijn er nog 

Rosj Hasjana 5787

Rosh Hashana met appel en honingpot en shana tova

26 september 1650. Rosj Hasjana. Samuel de Casseres zit aan tafel.

Familie om hem heen. Buiten ligt Amsterdam. Binnen begint het jaar 5411.

Er wordt gegeten, gesproken, misschien gelachen. Niemand aan die tafel weet wat er komen gaat.

Dat is misschien het wezen van Rosj Hasjana. We wensen elkaar een goed jaar, terwijl niemand weet wat dat jaar zal brengen.

1943, negen generaties later

Bijna drie eeuwen zijn voorbijgegaan als het op 29 september 1943 opnieuw Rosj Hasjana is. Op een zolder in Bergen zitten vier mensen uit dezelfde familie: Saar de Casseres, haar man Meijer, hun dochter Kitty en hun zoon David.

Ze zijn dan ruim een jaar ondergedoken. Beneden komen Duitse militairen over de vloer. Boven moeten vier mensen soms zo stil zijn dat zelfs hoesten gevaarlijk is. Eén houten vloer scheidt hen van de mensen die hen willen vinden. Mijn moeder Kitty is vijftien.

Veel later heeft ze mij verteld over die zolder. Over het kleine raam en de planken die kraakten, over haar vader die naar Radio Oranje luisterde en over haar broertje David, die met sigarenkistjes leerde jongleren omdat een kind zelfs in een oorlog probeert een kind te blijven.

Ze vertelde ook over vrijdagavond. Ze hadden bijna niets, maar er was een klein tinnen kandelaartje, er was soms wat brood en mijn grootvader sprak de beracha uit. Misschien was het nauwelijks meer dan een herinnering aan hoe een vrijdagavond ooit was geweest. Maar zolang ze het deden, waren ze nog een gezin. 

Hoe zij Rosj Hasjana in 1943 precies hebben gevierd, weet ik niet en ik wil het daarom niet invullen. Ik weet alleen dat ze daar waren. En dat is genoeg.

Want buiten die zolder verdween hun wereld. Familieleden waren weggevoerd, huizen stonden leeg en de Joodse straten van Amsterdam werden stiller. Op die zolder konden Saar, Meijer, Kitty en David niet weten wie nog leefde, wie terug zou komen of zelfs maar of zijzelf de volgende Rosj Hasjana zouden halen.

Er was eerder een moment geweest waarop mijn grootvader Meijer de moed verloor. De Duitsers waren het huis binnengevallen en het gezin was ternauwernood niet ontdekt. Hij wilde zich overgeven. Saar weigerde. Mijn moeder herinnerde zich haar hele leven de woorden: we komen hieruit, net als onze voorouders. 

Ze kwam eruit. Meijer kwam eruit. Kitty kwam eruit. David kwam eruit. Daarom kan ik dit schrijven.

2026, twee generaties later

Opnieuw Rosj Hasjana. Ik heet Levie Wagenhuis. Dat is mijn echte naam, maar bijna mijn hele leven noemde iedereen mij Loek.

Levie was de naam van mijn andere opa, de man naar wie ik werd genoemd. Alleen was die naam na de oorlog zo zwaar beladen dat mijn ouders mij in die tijd liever Loek noemden. Ik heb daar lang nauwelijks bij stilgestaan. Pas nu begrijp ik dat zelfs een voornaam te veel geschiedenis kan dragen. Mijn ouders zijn er niet meer om het hun te vragen.

De laatste jaren gebruik ik daarom weer steeds vaker de naam die ze mij werkelijk hebben gegeven: Levie. Misschien kan het inmiddels ook gewoon weer. Tegenwoordig lijkt ongeveer iedere tweede labradoodle in het Vondelpark Levie te heten. Dat relativeert vier eeuwen familiegeschiedenis behoorlijk.

Maar voor mij voelt het niet onbelangrijk. Het voelt soms alsof ik met die naam heel langzaam uit de Joodse kast kom. Ook dat klinkt gemakkelijker dan het is.

Ik schrijf over de Esnoga, over mijn familie, over de De Casseressen en over mensen die daar eeuwen geleden baden. Ik zoek hun namen op in archieven, schrijf boeken over hun wereld en vertel hun verhalen aan mensen die ik nooit heb ontmoet. Maar zelf naar binnen gaan is iets anders.

Deze Rosj Hasjana kan ik gewoon naar de Esnoga. Dezelfde stad waarin Samuel de Casseres in 1650 Rosj Hasjana vierde. Dezelfde gemeenschap waarin mijn familie generaties lang thuishoort. De Esnoga waar mijn moeder als meisje haar grootvader op zaterdag naartoe bracht en vervolgens boven bij haar nichtjes zat. Zelfs tijdens haar onderduik dacht ze terug aan die wandelingen en aan de melodieën die ze beneden in de Esnoga hoorde. 

Niemand houdt mij tegen. Ik hoef mij niet te verbergen, geen ster van mijn jas te tornen en niet op sokken over een zolder te lopen omdat een krakende plank mijn dood kan betekenen. Ik hoef alleen naar binnen.

En toch verzamel ik nog moed.

Mijn talliet is er al. Die heb ik een tijd geleden in een van de kastjes in de zitbanken gelegd. Daar ligt hij. Op mij te wachten, vermoed ik.

Misschien is dat voorlopig genoeg. Want als ik naar deze drie Rosj Hasjana’s kijk, zie ik geen rechte lijn en ook geen mooi verhaal waarin alles uiteindelijk goed komt. Daarvoor zijn er te veel mensen uit onze familie die tussen 1650 en vandaag uit het verhaal verdwenen.

Ik zie alleen mensen die er op een bepaald moment nog waren. Samuel aan een tafel in 1650. Saar, Meijer, Kitty en David op een zolder in 1943. En ik, in 2026, met een talliet in een kastje in de Esnoga en nog net niet genoeg moed om hem eruit te halen.

Misschien is dat Rosj Hasjana, het Joodse Nieuwjaar van 5787. Niet weten wat het nieuwe jaar zal brengen en er toch aan beginnen.

We zijn er nog.

Sjana tova

Over Levie Wagenhuis 16 Artikelen
Levie Wagenhuis is schrijver en restaurateur met een passie voor de Sefardisch-Joodse geschiedenis. Hij schreef de historische romans Aan tafel bij de Casseres, El Manco en Sous l'Horloge de la Gare de Lyon, en werkt aan een nieuw boek rond Lilly la Paz. Daarnaast publiceert hij dagelijks historische verhalen op Facebook en bouwt hij aan de initiatieven LostHistoryMuseum.org en Esnoga.tv.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*